3 Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Huurder 1] en [huurder 2] hebben ieder van de woningbouwvereniging Dr. Schaepman (hierna: Schaepman) een woning gehuurd: [huurder 1] de woning aan de [adres] en [huurder 2] de woning aan de [adres], te [woonplaats].
(ii) Deze woningen maken deel uit van het voorheen aan Schaepman, thans aan Eigen Haard in erfpacht toebehorende flatcomplex 43.
(iii) Dit flatcomplex is gelegen in de wijk [..]. Deze wijk bevindt zich in de zogenaamde "Westelijke Tuin-steden", waarin verder zijn gelegen de wijken [..], [..], [..], [..] en [..].
(iv) In de Westelijke Tuinsteden is de zogenaamde "Tuinstadregeling" van toepassing.
(v) De Tuinstadregeling is in 1955 door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam ingesteld in verband met de bouw van woningen volgens een nieuw stedebouwkundig concept in de Westelijke Tuinsteden vanaf het einde van de jaren vijftig. Het belangrijkste kenmerk van dit concept was woningbouw in combinatie met talrijke open, voor alle bewoners toegankelijke "gemeenschappelijke tuinen". Met de Tuinstadregeling is beoogd de aanleg en het onderhoud van de gemeenschappelijke tuinen in de Westelijke Tuinsteden te financieren.
(vi) Onder "gemeenschappelijke tuin" in de zin van voormelde regeling wordt blijkens een rapport uit 1982 van de Werkgroep Tuinregeling (samengesteld uit vertegenwoordigers van de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) en van de Amsterdamse federatie van Woningcorporaties) verstaan een tuin waarvan de bewoners van een aantal wo-ningen in een complex/bouwblok het "fysiek" dan wel "kijk" genot hebben; de tuin, die een "open" dan wel een "besloten" karakter kan hebben, moet in de beleving van de bewoners bij de woningen "horen".
(vii) De Tuinstadregeling werkt als volgt. De woningbedrijven en - corporaties dragen zorg voor het onderhoud van de gemeenschappelijke tuinen die door de gemeente aan hen in erfpacht zijn uitgegeven. Zij ontvangen daarvoor uit het zogenaamde Tuinstadfonds een vast bedrag, dat is gerelateerd aan het totale aantal vierkante meters gemeenschappelijke tuin van die corporaties in de Tuin- steden. Het Tuinstadfonds legt voorts aan de woningcorporaties een bijdrageverplichting op. De hoogte van de bijdrage per corporatie is gelijk aan het aantal woningen van de corporatie in de Tuinsteden vermenigvuldigd met de zogenoemde individuele tuinstadbijdrage. Bij deze berekening speelt geen rol of bij een bepaald complex al dan niet sprake is van tuinuitgifte in erfpacht. Het enige criterium is dat een corporatiewoning zich in het Tuinstadgebied moet bevinden. De individuele bijdrage wordt vervolgens door de corporaties per woning aan de individuele huurders doorberekend. Het gaat om twee vaste bedragen voor de aanleg- en ophoogkosten onderscheidenlijk het gering en dagelijks onderhoud. Deze laatste component wordt doorberekend als onderdeel van de servicekosten en is voor alle huurders gelijk met uitzondering van de huurders van bejaardenwoningen die de helft van het normale tarief betalen.
(viii)Complex 43 is in 1983 gebouwd. Het complex bestaat uit 189 woningen, die zijn verdeeld over zes tegenover elkaar staande woonblokken. Er zijn veel tuinen, plantsoenen en bosschages in de omgeving van dit complex. Al dit groen heeft een open karakter en is voor iedereen toegankelijk. De tuinen die zich direct bij/tussen de woonblokken bevinden hebben qua inrichting een open karakter. Zij zijn eigendom van de gemeente en zijn niet in erfpacht uitgegeven aan Schaepman/Eigen Haard. Zij worden door het stadsdeel onderhouden en door Eigen Haard worden geen gelden besteed aan de onderhoudswerkzaamheden ten behoeve van de direct tussen de woonblokken van complex 43 gelegen tuinen. Ook voor dit complex verlangt de gemeente van Eigen Haard deelname aan het Tuinstadfonds en moet Eigen Haard de bijdragen van de huurders innen.