ECLI:NL:HR:2000:AA6163

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/183HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • P. Neleman
  • R. Herrmann
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 Rv (oud)Art. 931 Rv (oud)Art. 932 Rv (oud)Art. V Wijzigingswet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voogdij en bijdrage kosten verzorging en opvoeding

In deze zaak ging het om een geschil tussen een man en vrouw na hun echtscheiding waarbij het Hof Arnhem de man niet-ontvankelijk verklaarde in zijn hoger beroep tegen een beschikking van de Rechtbank Zwolle. Deze beschikking had de vrouw tot voogdes benoemd en de man verplicht tot een maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

De man stelde dat het Hof ten onrechte oordeelde dat hij verzet had moeten instellen in plaats van hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het toepasselijke recht het oude procesrecht was omdat de dagvaarding vóór 1 januari 1993 was betekend. Volgens dat recht stond de man wel degelijk hoger beroep toe en was hij tijdig in hoger beroep gekomen.

De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van het Hof Arnhem en verwees de zaak naar het Hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee werd de procedure hervat zodat de inhoudelijke beoordeling van de voogdij en onderhoudsbijdrage alsnog kan plaatsvinden.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van overgangsrecht en procesrechtelijke termijnen bij procedures die rond de invoering van nieuw echtscheidingsprocesrecht liepen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.

Uitspraak

9 juni 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/183HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude,
t e g e n
1. [de vrouw],
2. [kind 1],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 15 juli 1992 heeft de Rechtbank te Zwolle de echtscheiding uitgesproken tussen verweerster in cassatie sub 1 - verder te noemen: de vrouw - en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - en heeft de Rechtbank de zaak verwezen voor zover het de voorziening in het gezag over der partijen twee kinderen betreft (1) [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1980, en (2) [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1982, beiden in de gemeente Noordoostpolder, en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 1993 de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over beide kinderen benoemd en bepaald dat de man aan de Raad voor de Kinderbescherming te Zwolle een bedrag van ƒ 250,-- per maand per kind zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hiervoor vermelde minderjarigen.
Tegen deze beschikking heeft de man bij verzoekschrift d.d. 26 maart 1999 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft hij verzocht de beschikking van de Rechtbank te Zwolle van 7 januari 1993 te vernietigen en met terugwerkende kracht te bepalen dat op de man per 7 januari 1993 niet de verplichting rust om met een bedrag van ƒ 250,-- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen, althans subsidiair bedoelde bijdrage c.q. het inmiddels totaal verschuldigd geworden bedrag te beperken c.q. te matigen tot een bedrag als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden.
Bij beschikking van 31 augustus 1999 heeft het Hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling- van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 1999 en tot verwijzing ter verdere behandeling.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de man verzet in plaats van hoger beroep had moeten instellen tegen de hiervoor onder 1 vermelde beschikking van de Rechtbank waarbij de vrouw is benoemd tot voogdes over de beide kinderen en de man is veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding.
3.2 Nu de inleidende dagvaarding is betekend vóór 1 januari 1993, is ingevolge art. V van de Wet tot herziening van het echtscheidingsprocesrecht (van 1 juli 1992, Stb. 373) op de procedure het vóór dat tijdstip geldende recht van toepassing. De onderhavige beschikking bevat beslissingen als bedoeld in art. 824 (oud) Rv. Ingevolge art. 931 (oud) Rv. stond voor de man die niet bij procureur was verschenen, hoger beroep open uiterlijk twee maanden nadat de beschikking aan hem (op 29 januari 1999) was betekend. De man is tijdig in hoger beroep gekomen bij het Hof. Het middel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 1999;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, R. Herrmann, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 juni 2000.