ECLI:NL:HR:2000:AA6206

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35312
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • A.E. de Moor
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieparagraaf 24 lid 2 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998paragraaf 46 lid 2 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag omzetbelasting wegens opzet en toepassing Besluit Bestuurlijke Boeten

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het jaar 1997, inclusief een verhoging van honderd procent waarvan de Inspecteur kwijtschelding verleende tot 10 procent. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze verhoging gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de Inspecteur aanvankelijk alleen grove schuld had gesteld en niet later opzet mocht claimen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de brief van de Inspecteur bleek dat de verschillen in de aangiften zo groot waren dat opzet aannemelijk was.

Het Hof had geoordeeld dat de Inspecteur terecht de verhoging niet verder had kwijtgescholden dan tot 10 procent, maar de Hoge Raad stelde vast dat op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, dat per 1 januari 1998 van kracht werd, in geval van opzet en vrijwillige verbetering na die datum een strafmaat van 5 procent geldt. Omdat belanghebbende na 1 januari 1998 vrijwillig haar aangifte had verbeterd, moest de verhoging worden verminderd tot 5 procent.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de beschikking van de Inspecteur voor zover deze de verhoging betrof, en legde de Staatssecretaris van Financiën op de kosten van het cassatiegeding te vergoeden. Tevens werden de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende aan de Staat toegekend.

De overige klachten werden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Hoge Raad kon de zaak zelf afdoen en deed dat op 14 juni 2000.

Uitkomst: De belastingverhoging wordt verminderd van 10 procent naar 5 procent wegens opzet en vrijwillige verbetering na 1 januari 1998.

Uitspraak

Nr. 35312
14 juni 2000
gewezen op het beroep in cassatie van de vennootschap onder firma X V.o.f. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 14 april 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 11.174,-- aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van de geheven belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op tien percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking betreffende de verhoging gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft de Inspecteur geslaagd geacht in het bewijs dat het aan opzet is te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan, zodat naar ’s Hofs oordeel de verhoging terecht is belopen.
Tegen dit oordeel keren zich de klachten met de stelling dat de Inspecteur in zijn brief van 9 april 1998 eerst alleen grove schuld heeft gesteld en dit later niet meer kan veranderen in opzet. Deze stelling mist feitelijke grondslag nu in genoemde brief is meegedeeld dat de verschillen met de aanvankelijk ingediende aangiften zowel in absolute als in relatieve zin zo groot zijn dat belanghebbende zich bewust moet zijn geweest van de onjuistheid van de aangiften, welke mededeling strookt met de kwalificatie “opzet”.
3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur niet onjuist heeft gehandeld door de verhoging niet verder kwijt te schelden dan tot op 10 percent, welke verhoging passend is en geboden ter normhandhaving.
Voorzover de klachten zich tegen dit oordeel richten, treffen zij doel. Belanghebbende heeft in haar conclusie van repliek voor het Hof een beroep gedaan op het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Besluit). Ingevolge paragraaf 46, lid 2, van het Besluit, zoals dat luidt sinds de wijziging van 7 januari 1999, Stcrt. 6, heeft met ingang van 1 januari 1998 onmiddellijke werking de in paragraaf 24, lid 2, van het Besluit genoemde strafmaat van 5 procent met een maximum van ƒ 10.000,-- indien wegens grove schuld of opzet niet of niet tijdig betalingen van aangiftebelastingen zijn gedaan over tijdvakken en tijdstippen die eindigen vóór 1 januari 1998, terwijl na 1 januari 1998 vrijwillig verbetering heeft plaatsgevonden. Gelet op het hiervóór in 3.1 overwogene moet er in dit geval van worden uitgegaan dat belanghebbende opzettelijk over 1997 te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, terwijl vaststaat dat belanghebbende na 1 januari 1998 haar aangifte vrijwillig heeft verbeterd. Voor een dergelijk geval wijst voormelde bepaling een strafmaat aan van 5 procent van de verschuldigde belasting. Derhalve kan, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet worden gezegd dat de Inspecteur niet onjuist heeft gehandeld door de verhoging niet verder kwijt te schelden dan tot op 10 procent.
3.3. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4. Gelet op het hiervóór in 3.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Hof;
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, voorzover deze de beschikking inzake de verhoging betreft;
scheldt de verhoging kwijt tot op 5 procent van de verschuldigde belasting;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 340,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 80,--, derhalve in totaal ƒ 420,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 532,50,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.
Dit arrest is op 14 juni 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.