ECLI:NL:HR:2000:AA6207
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat midgetgolfbanen onder recreatieve voorzieningen voor omzetbelasting vallen
Belanghebbende exploiteert een bos- en parkcomplex met drie midgetgolfbanen en diverse recreatieve voorzieningen. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op, stellende dat de dienst niet viel onder de vrijstelling voor toegang tot attractieparken en siertuinen. Het Hof oordeelde echter dat het recreatieve karakter van het complex en het spelen van midgetgolf als vermaak en dagrecreatie voorop staan, en vernietigde de aanslag.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht onderscheid maakte tussen sportieve en recreatieve voorzieningen en dat het oordeel van het Hof, dat het recreatieve element dominant is, niet onbegrijpelijk is. Het cassatiemiddel faalt omdat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en feitelijke waarderingen niet in cassatie worden getoetst.
De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de exploitatie van midgetgolfbanen in een recreatiecomplex onder de vrijstelling voor toegang tot attractieparken en siertuinen valt volgens de Wet op de omzetbelasting 1968.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de exploitatie van midgetgolfbanen onder de vrijstelling voor toegang tot recreatieve voorzieningen valt.