ECLI:NL:HR:2000:AA6235
Hoge Raad
- Cassatie
- H.L.J. Roelvink
- W.H. Heemskerk
- C.H.M. Jansen
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid incidentele vordering tot tussenkomst in cassatieprocedure
In deze zaak vordert eiseres tot cassatie betaling van een geldbedrag van verweerder. Verweerder heeft een incidentele exceptie van onbevoegdheid genomen en een vordering tot oproeping in vrijwaring ingesteld. De rechtbank verklaarde zich bevoegd en wees de vordering tot vrijwaring toe. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van eiseres af. Tegen dit arrest stelde eiseres beroep in cassatie in.
[A] en [B] vroegen in cassatie incidenteel toegelaten te worden als tussenkomende partij. Verweerder verzocht tot niet-ontvankelijkheid van deze tussenkomst. De Hoge Raad oordeelt dat in cassatie geen plaats is voor een incidentele vordering tot tussenkomst, waardoor [A] en [B] niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiseres en veroordeelt [A] en [B] in de kosten van het incident tot tussenkomst en eiseres in de kosten van het cassatiegeding. De beslissing is genomen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de incidentele vordering tot tussenkomst niet-ontvankelijk en verwerpt het cassatieberoep van eiseres.