3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [De echtgenote] is gehuwd geweest met [de echtgenoot], die op 27 september 1992 is overleden. Zij is zijn enig erfgename.
(ii) [De echtgenoot] was directeur/grootaandeelhouder van [A] B.V., opgericht in 1982. [A] B.V. heeft 35 aandelen geplaatst van elk nominaal ƒ 1.000,--. [De echtgenoot] hield daarvan 34 aandelen en [de echtgenote] één.
(iii) In 1982 heeft [de echtgenoot] voor zich en voor [de echtgenote] een lijfrente/stamrechtovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat [A] B.V. een ingebracht bedrag van ƒ 123.463,-- vanaf 1 januari 1982 jaarlijks zal verhogen met 9% rente, op basis van samengestelde rente. Na 1 januari 1989 is door [A] B.V. geen rente meer bijgeschreven.
(iv) In oktober 1985 heeft [werknemer] 16 aandelen van [de echtgenoot] en één aandeel van [de echtgenote] gekocht en verkregen tegen een koopsom van ƒ 45.000,--. Per 1 oktober 1985 is [werknemer] mededirecteur van [A] B.V. geworden.
(v) Bij overeenkomst van 3 mei 1991 heeft L.E. Beheer van [de echtgenoot] de resterende 18 aandelen gekocht en verkregen tegen een koopsom van ƒ 230.000,--. Per diezelfde datum heeft [werknemer] zijn aandelen overgedragen aan L.E. Beheer. De naam van [A] B.V. is gewijzigd in L.E. Bloemenexport B.V. (hierna: Bloemenexport).
(vi) Na het overlijden van [de echtgenoot] is door Bloemenexport een bedrag van ƒ 225.691,-- gestort in Stamrecht B.V. waarin voormeld stamrecht was ondergebracht.
(vii) Bij vonnis van 5 oktober 1994 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage op vordering van [de echtgenote] beslist dat door Bloemenexport een bedrag van ƒ 42.452,-- moet worden voldaan ter zake van niet betaalde rente over de periode van 1 januari 1989 tot 27 december 1990. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld.
3.2 Voorzover in cassatie nog van belang heeft L.E. Beheer in dit geding tegen [de echtgenote], als erfgename van [de echtgenoot], gevorderd dat de op 3 mei 1991 gesloten overeenkomst wegens dwaling wordt vernietigd, zulks met gedeeltelijke ontzegging van de werking aan die vernietiging en met veroordeling van [de echtgenote] tot betaling van ƒ 42.452,--. De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat dit beroep op dwaling slaagt op de grond dat [de echtgenoot] aan L.E. Beheer bij het aangaan van de overeenkomst had moeten meedelen dat de stamrechtovereenkomst ook rechten aan zijn echtgenote toekende. In hoger beroep heeft het Hof dat vonnis vernietigd en de vordering van L.E. Beheer afgewezen. Daartoe heeft het Hof overwogen (rov. 3) dat, nu L.E. Beheer "wist dat [de echtgenoot] een stamrechtovereenkomst had", het op haar weg had gelegen in-zage te verlangen in de van die overeenkomst opgemaakte akte dan wel bij [de echtgenoot] te informeren of bij die overeenkomst mede ten behoeve van zijn echtgenote aanspraken waren toegekend. [De echtgenoot] zou volgens het Hof slechts dan gehouden zijn geweest L.E. Beheer dienaangaande te informeren indien L.E. Beheer van het bestaan van de stamrechtovereenkomst onkundig zou zijn geweest, doch nu L.E. Beheer daarmee bekend was rustte op [de echtgenoot] niet de plicht L.E. Beheer te informeren omtrent de inhoud daarvan doch lag het op de weg van L.E. Beheer zelf daarnaar te vragen en zo nodig een eigen onderzoek in te stellen. Tegen dit oordeel keert zich het middel.