ECLI:NL:HR:2000:AA6242

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/040HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep in cassatie wegens ontbreken advocaatsteken

In deze zaak heeft de man bij de Rechtbank Breda verzocht om beëindiging van zijn onderhoudsverplichting aan de vrouw, primair per 1 januari 1999 en subsidiair een afbouwregeling tot 1 september 2001. De rechtbank wees dit primaire verzoek toe. De vrouw stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en bepaalde dat de onderhoudsverplichting van de man zou eindigen per 30 juli 2003, met mogelijkheid tot verdere verlenging.

De vrouw stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Procureur-Generaal adviseerde om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat, hetgeen volgens artikel 426a lid 1 Rv verplicht is bij procedures bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verklaarde daarom het beroep van de vrouw niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eis van formele vereisten voor cassatieprocedures.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaatsteken.

Uitspraak

16 juni 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/040HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 14 december 1998 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht primair zijn onderhoudsverplichting ten behoeve van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - te beëindigen met ingang van 1 januari 1999, subsidiair die bijdrage gedurende de periode 1 januari 1999 tot 1 september 2001 af te bouwen conform de door hem in het verzoekschrift onder punt 9 aangegeven wijze.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 27 januari 1999 het primaire verzoek van de man toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 5 januari 2000 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 30 juli 2003 beëindigd, met dien verstande dat verdere verlenging mogelijk is.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Verzoekster kan niet ontvangen worden in haar beroep, reeds omdat het verzoekschrift, ingediend door verzoekster zelf, niet is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P. Neleman, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 juni 2000.