ECLI:NL:HR:2000:AA6246
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.M. Orie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat draagkracht verdachte geen rol speelt bij schadevergoedingsmaatregel
In deze zaak stond het beroep in cassatie van de verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin hij veroordeeld was voor meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van verduistering en overtredingen van de Wegenverkeerswet. Het hof had onder meer schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de verdachte ten behoeve van de benadeelde partijen.
De verdachte stelde in cassatie dat de draagkracht van de verdachte meegewogen moest worden bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel, en dat matiging van het bedrag op die grond gerechtvaardigd was. De Hoge Raad verwierp dit verweer en benadrukte dat uit de wetsgeschiedenis van art. 36f Sr volgt dat de draagkracht van de verdachte geen rol speelt bij de hoogte van de maatregel. De maatregel is reparatoir van aard en gericht op herstel van de rechtmatige toestand, waarbij de omvang van de schade beslissend is.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof terecht had vastgesteld dat de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk was voor de schade en dat het hof niet gehouden was om afzonderlijk te beslissen over het verweer van matiging op grond van draagkracht. Ook bleek uit de processtukken dat de verdachte bereid was om in termijnen te betalen, zodat het verweer van totaal ontbreken van draagkracht feitelijk niet was onderbouwd.
De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep faalde en dat er geen reden was om het arrest van het hof ambtshalve te vernietigen. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schadevergoedingsmaatregel wordt bevestigd zonder matiging op grond van draagkracht.