ECLI:NL:HR:2000:AA6295
Hoge Raad
- Cassatie
- H.L.J. Roelvink
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt loonbetalingsplicht werkgever bij onterechte arbeidsongeschiktheidsverklaring
De zaak betreft een werknemer die sinds 1974 bij Stichting Thuiszorg Midden-Brabant werkzaam was en in 1990 wegens hartklachten uitviel. Na een periode van ziekte-uitkeringen werd zij in 1992 op grond van een verzekeringsgeneeskundig oordeel van volledige arbeidsongeschiktheid voor haar eigen werk geweigerd haar werkzaamheden voort te zetten. De werknemer protesteerde en stelde zich beschikbaar voor werk.
De AAW/WAO-uitkering werd ingetrokken omdat zij volgens het besluit ander passend werk kon verrichten. De werknemer tekende beroep aan en de bestuursrechter stelde haar in het gelijk, oordelend dat zij vanaf 1 september 1992 in staat was haar eigen werk twintig uur per week te verrichten. Vanaf juni 1994 kon zij haar werkzaamheden hervatten.
De werknemer vorderde loonbetaling over de periode dat zij niet mocht werken, verminderd met ontvangen uitkeringen. De kantonrechter en rechtbank wezen de vordering toe, stellende dat de werkgever het loonbetalingsrisico draagt wanneer zij afgaat op een onjuist verzekeringsgeneeskundig oordeel, terwijl de werknemer zich beschikbaar hield. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van de werkgever, waarbij tevens werd geoordeeld dat de werkgever niet kon afgaan op het oordeel van de bedrijfsvereniging zonder rekening te houden met de bereidheid en het vermogen van de werknemer om te werken.
De Hoge Raad wees ook klachten over motivering en schadebeperking af en veroordeelde de werkgever in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de werkgever loon moet betalen over de periode dat de werknemer onterecht niet mocht werken.