ECLI:NL:HR:2000:AA6339

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/181HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • H.L.J. Roelvink
  • W.H. Heemskerk
  • R. Herrmann
  • C.H.M. Jansen
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:228 lid 1 onder c BWArt. 8 EVRMArt. 12 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing adoptieverzoek stiefvader wegens onvoldoende leeftijdsverschil

De stiefvader verzocht bij de Rechtbank Leeuwarden om adoptie van twee minderjarige kinderen uit het huwelijk van de moeder en vader. De Rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. In hoger beroep vernietigde het Gerechtshof deze beslissing, maar wees het adoptieverzoek alsnog af omdat het leeftijdsverschil tussen de stiefvader en de kinderen minder dan 18 jaar bedroeg, wat niet voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 1:228 lid 1 onder Pro c BW.

De stiefvader stelde in cassatie onder meer dat het adoptieverzoek getoetst moest worden aan artikel 8 en Pro 12 EVRM, waarbij hij een recht op adoptie ontleende. De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat het recht op gezinsleven niet impliceert dat de wettelijke voorwaarden voor adoptie kunnen worden genegeerd.

Daarnaast voerde de stiefvader aan dat de rechter in bijzondere omstandigheden van de leeftijdsvereiste had moeten afwijken. De Hoge Raad stelde dat de wetgever bewust een duidelijke grens heeft gesteld om het belang van het kind te beschermen en dat de rechter niet bevoegd is hiervan af te wijken.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de afwijzing van het adoptieverzoek door het Hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de afwijzing van het adoptieverzoek wegens onvoldoende leeftijdsverschil.

Uitspraak

30 juni 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/181HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De stiefvader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaten: mrs. P.S. Kamminga en
E.S. Florijn,
t e g e n
1. [de moeder], wonende te [woonplaats],
2. [de vader], wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 25 september 1998 ter griffie van de Rechtbank te Leeuwarden ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de stief- vader - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de adoptie uit te spreken van de minderjarigen [de zoon], geboren op [geboortedatum] 1984, en [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1996, beiden in de gemeente Smallingerland, uit het huwelijk van verweerster in cassatie sub 1, hierna: de moeder, en verweerder in cassatie sub 2, hierna: de vader.
De vader is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 1999 de stiefvader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Tegen deze beschikking heeft de stiefvader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 25 augustus 1999 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en opnieuw beslissende het verzoek tot adoptie afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de stief-vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De stiefvader verzoekt in deze procedure de adoptie uit te spreken van [de kinderen]. De Rechtbank heeft hem in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft in hoger beroep het verzoek afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor adoptie vermeld in art. 1:228 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW, omdat het leeftijdsverschil tussen de stiefvader en de beide minderjarigen minder dan 18 jaar bedraagt.
3.2 Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen de overweging van het Hof dat de afwijzing van het verzoek niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro. Volgens het onderdeel moet ieder verzoek tot adoptie getoetst worden aan die bepaling en/of aan art. 12 EVRM Pro.
Het onderdeel faalt. Aan die bepalingen kan wel het recht op bescherming van het tussen ouders en een door hen geadopteerd kind bestaande gezinsleven worden ontleend, doch niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet voor adoptie gestelde eisen. Dat adoptie niet mogelijk is omdat niet is voldaan aan de in 3.1 vermelde wettelijke voorwaarde, kan voorts niet worden aangemerkt als een inmenging als bedoeld in art. 8.
3.3 Onderdeel 2 betoogt dat de omstandigheden van het geval aanleiding dienen te zijn af te wijken van de regel dat er een minimaal leeftijdsverschil dient te zijn. Ook dit onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Uit hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker onder 2.2.1 - 2.2.4 blijkt dat de wetgever in het belang van het kind te dezer zake een duidelijke keuze heeft gemaakt om te voorkomen dat er een te klein (of te groot) verschil in leeftijd tussen de verzoeker tot adoptie en het kind bestaat. Aan de rechter komt niet de vrijheid toe daarvan af te wijken op grond van de omstandigheden van het geval. De beslissing van het Hof is dus juist.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raads-heren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, C.H.M. Jansen en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 30 juni 2000.