Het Land heeft de vorderingen op alle onderdelen bestreden.
Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij vonnis in kort geding van 14 november 1997 het onder 1 tot en met 8 gevorderde toegewezen.
Voorts heeft het Gerecht bepaald dat het Land een dwangsom van NAƒ 10.000,-- zal verbeuren voor iedere dag dat het een der bevelen of verboden ten koste van een der eisers zal verbeuren, tot een maximum van NAƒ 250.000,-- per eiser en een dwangsom van NAƒ 50.000,-- voor iedere keer dat zij het verbod op lijfstraffen ten koste van een der eisers zal overtreden, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen dit vonnis heeft het Land hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.
Bij tussenvonnis van 26 mei 1998 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast.
Bij eindvonnis van 6 oktober 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bevestigd, voor zover het de toewijzing van de vorderingen 1, 2, 3, 7 en 8 betreft en het Land in de proceskosten is veroordeeld. Het Hof heeft het vonnis, waarvan beroep, voor het overige vernietigd en opnieuw rechtdoende:
het Land bevolen om ervoor zorg te dragen dat, bij opsluiting van de thans gedetineerde geïntimeerden in een strafcel (cachot), deze is voorzien en voorzien wordt gehouden van een matras, (vaste) tafel en stoel op straffe van een aan de geïntimeerde die het betreft, na betekening van dit vonnis, te verbeuren dwangsom van NAƒ 500,-- per overtreding;
het Land bevolen om ervoor zorg te dragen dat, bij opsluiting van de thans gedetineerde geïntimeerden in één van de thans in gebruik zijnde strafcellen, daglicht en lucht wordt toegelaten en toegelaten wordt gehouden via de ingang dan wel de traliedeur, op straffe van een aan de geïntimeerde die het betreft, na betekening van dit vonnis, te verbeuren dwangsom van NAƒ 1.000,-- per overtreding;
het Land verboden om de thans gedetineerde geïntimeerden in een strafcel (cachot) op te sluiten zonder hen te horen (overeenkomstig het bepaalde in dienstorder nummer GWNA-06), op straffe van een aan de geïntimeerde die het betreft, na betekening van dit vonnis, te verbeuren dwangsom van NAƒ 1.000,-- per overtreding;
bepaald dat het Land, na betekening van het vonnis waarvan beroep, aan de geïntimeerde die het aangaat een dwangsom van NAƒ 5.000,-- heeft verbeurd of zal verbeuren voor iedere overtreding van het verbod tot toepassing van lijfstraffen;
bepaald dat het Land, na betekening van het vonnis waarvan beroep, aan de gedetineerde geïntimeerde die het aangaat een dwangsom van NAƒ 500,-- heeft verbeurd of zal verbeuren voor iedere overtreding van het in dat vonnis gegeven verbod tot toepassing of oplegging van collectieve strafmaatregelen;
het maximum van de door het Land aan ieder van de geïntimeerden in totaal te verbeuren dwangsommen, met uitzondering van het verbod op lijfstraffen, bepaald op NAƒ 25.000,--;
dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
het meer of anders gevorderde afgewezen.