ECLI:NL:HR:2000:AA6929

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35501
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 2 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 5 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 7 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 19 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 24 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over bezwaarrecht bij betaling BPM door derde

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had over het tijdvak oktober 1996 BPM betaald via een derde namens haar. De Inspecteur verklaarde het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk omdat volgens het Hof alleen de derde het recht had bezwaar te maken. De Hoge Raad oordeelt echter dat belanghebbende als kentekenhouder zelf ook als degene geldt die de belasting heeft voldaan en dus ook bezwaar kan maken.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing. Tevens wordt de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van het cassatieproces.

De uitspraak verduidelijkt de uitleg van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de Algemene wet inzake rijksbelastingen met betrekking tot het bezwaarrecht bij betaling van BPM door een derde namens de belastingplichtige.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming dat ook de kentekenhouder bezwaarrecht heeft.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 35501
29 augustus 2000
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juli 1999 betreffende het bedrag dat namens haar als belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte is voldaan over het tijdvak oktober 1996.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof
Namens belanghebbende is op de voet van het bepaalde in artikel 7 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 8.191.964,-- aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en verzocht om teruggaaf van voormeld bedrag, in welk bezwaar de Inspecteur bij uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal Ilsink heeft op 18 februari 2000 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, alsmede die van de Inspecteur en tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur ter beslissing op het bezwaarschrift.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de in geschil zijnde, op grond van artikel 1, lid 2, van de Wet verschuldigde BPM op de voet van artikel 7 van Pro de Wet op aangifte is voldaan door een derde namens belanghebbende.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat uit het bepaalde in artikel 7 van Pro de Wet juncto artikel 19, derde lid, en artikel 24 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat in een geval als het onderhavige het recht om bezwaar te maken tegen het op aangifte voldane bedrag toekomt aan die derde, zodat de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvanke-lijk in haar bezwaar heeft verklaard.
3.3. Het middel, dat zich tegen voormeld oordeel keert, treft doel. Met betrekking tot het in artikel 1, lid 2, van de Wet omschreven belastbare feit is op grond van artikel 5 van Pro de Wet belanghebbende als kentekenhouder belastingplichtig. De voldoening van op grond van artikel 1, lid 2, van de Wet verschuldigde BPM op de voet van artikel 7 van Pro de Wet door een derde geschiedt, zoals in de tekst van laatstgenoemd artikel ook tot uitdrukking is gebracht, namens de kentekenhouder. Zulks brengt mee dat de BPM moet worden geacht door belanghebbende te zijn voldaan. Belanghebbende kan derhalve, anders dan het Hof heeft geoordeeld, worden aangemerkt als degene door wie de belasting op aangifte is voldaan als bedoeld in artikel 24 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zodat zij - evenals de hiervóór in 3.1 bedoelde derde namens haar - de mogelijkheid had tegen het bedrag aan BPM dat namens haar is voldaan, bezwaar te maken.
3.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de uitspraak van het Hof;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 340,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 29 augustus 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.