ECLI:NL:HR:2000:AA6930
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over betalingskorting vennootschapsbelasting 1998
In deze zaak gaat het om een geschil over de toekenning van een betalingskorting op een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1998. Belanghebbende ontving een aanslag van f 332.657,-- met een betalingskorting van f 4.520,-- bij betaling ineens. Na een verzoek tot vermindering van de aanslag en uitstel van betaling, betaalde belanghebbende een bedrag van f 276.192,--, waarbij een herrekende betalingskorting van f 3.808,-- in mindering werd gebracht.
De Ontvanger beëindigde het uitstel van betaling en stelde dat het openstaande bedrag f 3.808,-- bedroeg. Het bezwaar van belanghebbende tegen het niet in aanmerking nemen van de betalingskorting werd door de Ontvanger gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en kende alsnog de betalingskorting toe.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de Invorderingswet 1990 niet voorziet in een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij de betalingskorting wordt verleend, waardoor het bezwaar tegen het niet verlenen van de korting niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De uitspraak van het Hof werd vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet verlenen van de betalingskorting wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het Hof wordt vernietigd.