ECLI:NL:HR:2000:AA7077
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- F.W.G.M. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling reikwijdte begrip onderneming in Wet vermindering afdracht loonbelasting
Belanghebbende, een universiteit, had bezwaar gemaakt tegen een gedeeltelijk afwijzende beschikking van de Minister van Economische Zaken inzake een aanvraag voor een S&O-verklaring onder de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het oordeel werd gegeven dat de term 'overeenkomst met een onderneming' in de wet moet worden uitgelegd als een overeenkomst met een in Nederland gevestigde ondernemer of een ondernemer met een vaste inrichting in Nederland.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het begrip 'onderneming' ook ondernemingen buiten Nederland omvat, en dat het College dit begrip onjuist had uitgelegd. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'onderneming' in de Wet verwijst naar de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarin het begrip neutraal is ten aanzien van de vestigingsplaats van de onderneming.
De Hoge Raad concludeerde dat het College met zijn uitleg niet onjuist heeft gehandeld en dat de Hoge Raad zelf niet bevoegd is tot een verdere toetsing van dit oordeel. Het cassatieberoep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het College bevestigd.