ECLI:NL:HR:2000:AA7156

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34949
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • A.G. Pos
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 248 GemeentewetAlgemene wet bestuursrecht 6:6
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen aanslag onroerendezaakbelasting gemeente Rotterdam

De Directeur van de Dienst Gemeentelijke Belastingen van de gemeente Rotterdam stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage over een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd aan X BV voor het jaar 1995.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat op grond van artikel 19 van Pro de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken juncto artikel 248 van Pro de Gemeentewet het college van Burgemeester en wethouders van Rotterdam als procespartij is aangewezen en niet de Directeur. Er was geen sprake van een herstelbaar verzuim.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de gemeente Rotterdam tot vergoeding van de helft van de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het arrest werd op 25 juli 2000 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Directeur is niet-ontvankelijk verklaard en de gemeente Rotterdam is veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten.

Uitspraak

Nr. 34949
25 juli 2000
gewezen op het beroep in cassatie van de Directeur van de Dienst Gemeentelijke Belastingen van de Gemeente Rotterdam tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 25 november 1998 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de onroerendezaak-belastingen van de gemeente Rotterdam.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De Directeur van de Dienst Gemeentelijke Belastingen van de Gemeente Rotterdam (hierna: de Directeur) heeft beroep in cassatie ingesteld, hoewel daartoe op grond van artikel 19 van Pro de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken juncto artikel 248 van Pro de Gemeentewet het college van Burgermeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen is. Nu te dezen niet sprake is van een voor herstel vatbaar verzuim, zal de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna vermeld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Directeur in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van f 2.130,--, derhalve f 1.065,--, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden
Dit arrest is op 25 juli 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier I. de Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.