ECLI:NL:HR:2000:AA7252

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35295
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • G.J. Zuurmond
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 4 Successiewet 1956Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ondanks beroep op forfaitaire waarderingsregel

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor de overdrachtsbelasting over de onverdeelde helft van een onroerende zaak, inclusief een verhoging die later werd kwijtgescholden. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Het cassatiemiddel stelde dat op grond van een besluit van de Staatssecretaris van Financiën de forfaitaire waarderingsregel uit artikel 21, lid 4, van de Successiewet 1956 ook toegepast moest worden bij de berekening van de overdrachtsbelasting. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat het besluit niet kan worden opgevat als een beleidsregel die de toepassing van de forfaitaire waarderingsregel op overdrachtsbelasting beoogt.

De Hoge Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig zijn om proceskosten toe te wijzen en bevestigde de uitspraak van het Hof. Het arrest werd op 27 september 2000 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting.

Uitspraak

Nr. 35295
27 september 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 30 maart 1999 betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van de onverdeelde helft van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 3.600,--, met een verhoging van 100 percent van de nageheven belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur geheel is kwijtgescholden. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het middel betoogt dat op grond van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 april 1996, nr. VB96/1033 ook voor de berekening van de overdrachts-belasting de forfaitaire waarderingsregel van artikel 21, lid 4, van de Successiewet 1956 dient te worden toegepast. Het middel faalt. Dat Besluit kan redelijkerwijs niet worden opgevat als de bekendmaking van een beleid om ook voor de berekening van overdrachtsbelasting die forfaitaire waarderingsregel toe te passen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 september 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond en C.B. Bavinck, in tegen-woordigheid van de waarnemend griffier P.E. Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.