ECLI:NL:HR:2000:AA7907

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/364HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • J.B. Fleers
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering na verzet en hoger beroep in civiele zaak

Eiser heeft verweerder gedagvaard om betaling van een geldbedrag, waarop verweerder niet verscheen. De rechtbank veroordeelde verweerder bij verstek tot betaling, maar verweerder kwam in verzet. Na bewijslevering en enquête verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en bekrachtigde het vonnis. Verweerder stelde hoger beroep in bij het Hof, dat de eerdere vonnissen vernietigde en de vordering van eiser afwees.

Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalt en verwierp het cassatieberoep. Eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

De uitspraak bevestigt de afwijzing van de vordering van eiser en bekrachtigt het oordeel van het Hof dat verweerder niet tot betaling gehouden is. De procedure doorliep meerdere instanties met tussenvonnissen, bewijslevering en een comparitie, waarbij uiteindelijk het hoger beroep en cassatieberoep faalden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de vordering van eiser.

Uitspraak

27 oktober 2000
Eerste Kamer
Nr. C98/364HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. C.C. van Bodegom,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.K. Franx.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 12 februari 1993 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 18.691,91 inclusief verschuldigde renten en kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
Nadat tegen de niet verschenen [verweerder] verstek was verleend, heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 april 1993 [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 17.820,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 1993, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
[Verweerder] is bij exploit van 29 juni 1993 tegen dit vonnis in verzet gekomen.
Na verweer in oppositie zijdens [eiser] heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 5 oktober 1994 [verweerder] bewijslevering opgedragen.
Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 9 augustus 1995 het verzet ongegrond verklaard en het vonnis van 7 april 1993 bekrachtigd.
Tegen de vonnissen van 5 oktober 1994 en 9 augustus 1995 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 20 november 1997 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast. Bij eindarrest van 16 april 1998 heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank te Dordrecht van 5 oktober 1994 en 9 augustus 1995 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] ontheven van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij vonnis van deze Rechtbank van 7 april 1993, en de vordering van [eiser] afgewezen.
De arresten van het Hof van 20 november 1997 en 16 april 1998 zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de twee laatstvermelde arresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries-Lentsch-Kostense.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 747,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der
Putt-Lauwers en J.B. Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H.
Heemskerk op 27 oktober 2000.