ECLI:NL:HR:2000:AA8358
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en toewijzing van smartengeld bij ernstig blijvend letsel
Eiser liep op 13 januari 1992 tijdens zijn werk een ernstig en blijvend letsel op waarvoor Bouw aansprakelijk is gesteld. Eiser vorderde een vergoeding van ƒ 300.000,-- voor immateriële schade, waarvan de Kantonrechter ƒ 200.000,-- toekende. De Rechtbank bevestigde dit vonnis in hoger beroep. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad stelt vast dat de begroting van smartengeld een billijke vergoeding betreft die sterk verweven is met de feiten en daarom in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst op rechtsopvattingen. De rechter moet rekening houden met de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan, evenals met bedragen toegekend in vergelijkbare gevallen, inclusief inflatiecorrecties. Buitenlandse ontwikkelingen kunnen worden meegewogen maar zijn niet beslissend.
Eiser voerde aan dat het toegekende bedrag ontoereikend is, onder meer vanwege de kosten van extra vakanties in een rolstoelgeschikte omgeving. De Hoge Raad oordeelt dat de vergoeding niet afhankelijk is van de concrete besteding en dat de rechter niet verplicht is om de wijze van besteding te onderzoeken of te motiveren.
De Hoge Raad bevestigt dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het letsel behoort tot de hoogste categorie van smartengeld en dat de vergoeding van ƒ 200.000,-- redelijk en billijk is. De aanvullende medische gegevens van de revalidatie-arts leidden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de Rechtbank wordt bekrachtigd met een vergoeding van ƒ 200.000,-- aan smartengeld.