ECLI:NL:HR:2000:AA8369
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over stelplicht en bewijslast bij arbeidsgerelateerde gezondheidsschade door gevaarlijke stoffen
In deze zaak vordert [verweerder], voormalig werknemer van Unilever, schadevergoeding wegens gezondheids- en vermogensschade veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens zijn werkzaamheden. Hij stelt dat hij door het werken met chemicaliën en oplosmiddelen, waaronder nikkelzouten, diverse aandoeningen heeft opgelopen. Unilever betwist de vordering.
De Rechtbank Rotterdam stelde hoge eisen aan de stelplicht van [verweerder] en oordeelde dat hij onvoldoende had gesteld om zijn vordering te onderbouwen. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de Rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd omtrent de stelplicht en bewijslast. De werknemer hoeft niet tot in detail de blootstelling en het causale verband te bewijzen als hij voldoende heeft gesteld dat hij aan gevaarlijke stoffen is blootgesteld en schade heeft geleden.
De Hoge Raad benadrukt dat indien de werknemer aannemelijk maakt dat hij schade heeft door blootstelling aan gevaarlijke stoffen, de werkgever op grond van zijn zorgplicht moet aantonen welke maatregelen hij heeft getroffen om die schade te voorkomen. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.
Deze uitspraak verduidelijkt de verdeling van stelplicht en bewijslast in arbeidsongevallen met gevaarlijke stoffen en bevestigt de beschermende rol van de zorgplicht van de werkgever onder art. 7:658 BW Pro.
Uitkomst: Het tussenvonnis van de Rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling waarbij de werkgever de bewijslast draagt voor naleving van de zorgplicht.