ECLI:NL:HR:2000:AA8407

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00738/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 437 SvArt. 101a RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens onvoldoende middelen tegen Opiumwet-veroordeling

De verdachte werd door het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet en medeplegen daarvan. Het hof legde een geldboete van achthonderdvijftig gulden op, subsidiair zeventien dagen hechtenis. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad onderzocht de ingediende middelen van cassatie, die volgens artikel 437 Sv Pro alleen in aanmerking komen indien zij een stellige en duidelijke klacht bevatten over schending van rechtsregels of vormvoorschriften. De middelen voldeden niet aan deze vereisten en konden daarom niet worden behandeld.

De Hoge Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor ambtshalve vernietiging van het arrest en wees het cassatieberoep af. Hiermee bleef de veroordeling van de verdachte ongewijzigd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 21 november 2000.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot geldboete en subsidiaire hechtenis blijft in stand.

Uitspraak

21 november 2000
Strafkamer
nr. 00738/99
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie
tegen een arrest van het
Gerechtshof te Leeuwarden
van 14 juni 1999 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 11 december 1997, voorzover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van (zaak A) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en (zaak B) “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een geldboete van achthonderdvijftig gulden, subsidiair zeventien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens
deze heeft mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen
in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro. Al een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De middelen voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.
4. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op
21 november 2000.