ECLI:NL:HR:2000:AA8734

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/220HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • W.H. Heemskerk
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 RvArt. 8 RvArt. 76 RvArt. 91 RvArt. 92 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van verstekverlening wegens niet-naleving dagvaardingsformaliteiten in cassatieprocedure

In deze cassatieprocedure had eiser verweerster gedagvaard om te verschijnen bij de Hoge Raad. De dagvaarding voldeed echter niet aan de in de artikelen 7 en 8 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven termijnen, wat leidt tot nietigheid van de dagvaarding.

Eiser heeft geprobeerd dit gebrek te herstellen door middel van herstelexploten, maar de eerste exploit wees een datum aan waarop de Hoge Raad geen zitting hield, en de tweede exploit was niet tijdig uitgebracht. Hierdoor kon het gebrek niet worden hersteld.

De Hoge Raad oordeelt dat vanwege het niet naleven van de termijnen en formaliteiten het verzoek tot verstekverlening moet worden geweigerd. De procedure eindigt daarmee zonder verdere behandeling van de zaak.

Dit arrest benadrukt het belang van strikte naleving van procesrechtelijke termijnen en formaliteiten in cassatieprocedures, en bevestigt dat nietigheid van dagvaardingen niet zonder meer kan worden hersteld.

Uitkomst: Verzoek tot verstekverlening wordt geweigerd wegens niet-naleving van dagvaardingsformaliteiten, waardoor de procedure eindigt.

Uitspraak

24 november 2000
Eerste Kamer
Nr. C00/220HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.L. Hofdijk,
t e g e n
de vennootschap onder firma [VERWEERSTER], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in cassatie
Bij dagvaarding van 6 juli 2000 heeft eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - aan verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - aangezegd dat hij beroep in cassatie instelt tegen het op 6 april 2000 tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, en [verweerster] gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 14 juli 2000. [Eiser] heeft de zaak niet ter rolle doen inschrijven.
Op 12 juli 2000 heeft [eiser] een herstelexploit doen uitbrengen, waarin als nieuwe rechtsdag vrijdag 21 juli 2000 werd aangezegd. Op die dag had de Hoge Raad geen zitting, zodat de zaak niet ter rolle kon worden ingeschreven.
Op 19 juli 2000 heeft [eiser] opnieuw een herstelexploit doen uitbrengen, waarin als nieuwe rechtsdag vrijdag 11 augustus 2000 werd aangezegd. [Eiser] heeft de zaak ter rolle doen inschrijven.
[Verweerster] is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 11 augustus 2000 niet verschenen. [Eiser] heeft gevraagd tegen [verweerster] verstek te verlenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verlening van het gevraagde verstek.
2. Beoordeling van het verzoek tot verstekverlening
In de op 6 juli 2000 uitgebrachte dagvaarding is de in de art. 7 lid 1 en Pro 8 Rv. voorgeschreven termijn van dagvaarding niet in acht genomen. Uit art. 91 lid 1 Rv Pro. volgt dat hetgeen in de art. 7 en Pro 8 is voorgeschreven op straffe van nietigheid moet worden in acht genomen. De dagvaarding lijdt dus aan een gebrek dat nietigheid meebrengt.
Art. 92 lid 1 Rv Pro. bepaalt dat een gebrek in een dagvaarding, dat nietigheid meebrengt, bij deurwaardersexploit, uitgebracht voor de dienende dag, kan worden hersteld.
Als herstelexploit kan slechts gelden een exploit dat een nieuwe rechtsdag aanzegt en dat gevolgd wordt door inschrijving ter rolle van die aangezegde rechtsdag (HR 17 september 1993, nr. 15086, NJ 1993, 741).
Het op 12 juli 2000 uitgebrachte exploit is uitgebracht voor de in art. 92 lid 1 bedoelde Pro, in de dagvaarding vermelde dienende dag, maar bevatte een oproeping tegen een nieuwe dag waarop de Hoge Raad geen zitting hield, zodat de zaak niet ter rolle kon worden ingeschreven en niet op de aangezegde dag heeft gediend. Aan dit exploit dient geen enkel gevolg te worden verbonden.
Het op 19 juli 2000 uitgebrachte exploit is niet voor de in art. 92 lid 1 bedoelde Pro, in de dagvaarding vermelde dienende dag uitgebracht, zodat door dit exploit het gebrek in de dagvaarding niet is hersteld.
Nu de in art. 76 bedoelde Pro termijnen en formaliteiten niet zijn in acht genomen, moet het gevraagde verstek worden geweigerd.
3. Beslissing
De Hoge Raad weigert het gevraagde verstek en verstaat dat de instantie is geëindigd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 24 november 2000.