ECLI:NL:HR:2000:AA8827
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij doodslag en lijkverbergen
In deze zaak stond de verdachte terecht voor doodslag en het verbergen van een lijk met het oogmerk het overlijden te verhullen. Het hof had de verdachte veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf en de vorderingen van de benadeelden toegewezen. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer de toelaatbaarheid van de wijziging van de voorlopige tenlastelegging en verwierp het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de behandeling van het cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, waardoor een strafvermindering op zijn plaats was.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot elf jaar en vijf maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen. De overige middelen van cassatie werden niet-ontvankelijk verklaard of niet-ontvankelijk bevonden wegens onvoldoende gemotiveerde klachten.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van twaalf jaar naar elf jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.