ECLI:NL:HR:2000:AA9051

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/139HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • R. Herrmann
  • J.B. Fleers
  • H.A.M. Aaftink
  • A. Hammerstein
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 7A:1638x BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over bewijslast en stelplicht bij bedrijfsongeval en zorgplicht werkgever

In deze zaak staat een bedrijfsongeval centraal waarbij de werknemer tijdens werkzaamheden een handverwonding opliep. De werkgever werd aangesproken op grond van art. 7:658 BW Pro, de zorgplicht voor veiligheid op de werkvloer. De Kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer af, maar de Rechtbank Zwolle stelde deze alsnog toe, waarbij zij oordeelde dat het ontbreken van een ongevalsrapportage door de Arbeidsinspectie leidde tot het niet voldoen aan de stelplicht door de werkgever.

De Hoge Raad stelt in cassatie dat de Rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door het ontbreken van een ongevalsrapportage zonder meer te koppelen aan het niet voldoen aan de stelplicht van de werkgever. De Hoge Raad benadrukt dat onder art. 7:658 BW Pro de werkgever de bewijslast draagt voor het naleven van zijn zorgplicht, en dat de stelplicht niet meer zo streng is als onder het oude art. 7A:1638x BW.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de werknemer in de kosten van het cassatieproces.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak terug naar Gerechtshof Arnhem wegens onjuiste toepassing bewijslast en stelplicht werkgever.

Uitspraak

15 december 2000
Eerste Kamer
Nr. C99/139HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 11 april 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Deventer en gevorderd [eiseres] te veroordelen:
1. tot vergoeding aan [verweerder] van de schade welke hij lijdt, geleden heeft en nog zal
lijden uit hoofde van het in het lichaam van de dagvaarding vermelde bedrijfsongeval en voor zover te dezen niet sub 2 gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
2. tot betaling aan [verweerder] van zijn redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtshulp ten bedrage van ƒ 2.515,35.
[Eiseres] heeft de vorderingen bestreden.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 15 augustus 1996 [verweerder] bewijs opgedragen. Na enquête heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 20 november 1997 de vorderingen afgewezen.
Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zwolle.
Bij vonnis van 3 maart 1999 heeft de Rechtbank beide vonnissen van de Kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [verweerder] alsnog toegewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 18 september 2000 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak is het ongeval aan de orde dat [verweerder] op 17 juli 1992 is overkomen tijdens de uitvoering van werkzaamheden die hij in dienst van [eiseres] verrichtte. Van dit ongeval, waarbij een hand van [verweerder] verminkt is geraakt, heeft de Arbeidsinspectie als gevolg van een te late melding door [eiseres] geen rapport opgemaakt.
3.2 De Kantonrechter heeft de op (thans) art. 7:658 lid 2 BW Pro gebaseerde, onder 1 nader aangeduide vorderingen van [verweerder] afgewezen.
In hoger beroep heeft de Rechtbank de grieven van [verweerder] gegrond bevonden en diens vorderingen alsnog toegewezen. Nu een ongevalsrapportage door de Arbeidsinspectie ontbreekt, aldus - kort samengevat en voorzover in cassatie van belang - de Rechtbank, heeft [eiseres] noch met betrekking tot haar verweer dat zij de op haar rustende zorgplicht om de veiligheid van haar werknemers te waarborgen heeft nageleefd, noch met betrekking tot haar verweer dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerder] aan haar stelplicht voldaan (rov. 4.2 en 4.3).
3.3 Vooropgesteld moet worden dat in het onderhavige geval art. 7:658 BW Pro van toepassing is (HR 3 december 1999, nr. C98/202, NJ 2000, 211). De in het middel vervatte klacht die van het tegendeel uitgaat, is in de schriftelijke toelichting ingetrokken.
3.4 Het middel klaagt dat de Rechtbank blijkens haar onder 3.2 weergegeven overwegingen heeft miskend, dat het enkele ontbreken van een ongevalsrapportage door de Arbeidsinspectie niet meebrengt dat [eiseres], zonder meer, niet aan haar stelplicht inzake a) het voldoen aan de ingevolge art. 7:658 lid 1 op Pro haar rustende zorgplicht en b) opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerder] heeft voldaan. Naar het middel betoogt, kan een werkgever ook met behulp van andere feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk maken dat hij passende veiligheidsmaatregelen heeft genomen en veiligheidsinstructies heeft verstrekt ter voorkoming van ongevallen en evenzeer dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
3.5 Onder de werking van art. 7A:1638x (oud) BW werden, teneinde de krachtens dit artikel in beginsel op de werknemer rustende bewijslast te verlichten, in de rechtspraak strenge eisen gesteld aan de stelplicht van de werkgever die ontkende dat hij in zijn voor hem uit genoemd artikel voortvloeiende zorgverplichting was tekortgeschoten (vgl. onder meer HR 1 juli 1993, nr. 15010, NJ 1993, 687). In dat verband werd weliswaar aangenomen dat de in art. 1638x besloten regels van stelplicht en bewijslast meebrachten dat de werkgever diende te zorgen voor het opmaken van een rapport waarin de toedracht van het ongeval zodanig werd vastgelegd dat daaruit met een redelijke mate van zekerheid kon worden opgemaakt of en in hoeverre het ongeval een gevolg was van het feit dat onvoldoende maatregelen waren getroffen ter voorkoming van ongevallen als waarom het in het gegeven geval gaat, maar het ontbreken van een dergelijk rapport dwong desondanks niet steeds en zonder meer tot het oordeel dat de werkgever niet aan zijn stelplicht ter zake had voldaan.
Nu art. 7:658 in Pro zoverre een herziening van de voorheen krachtens art. 1638x geldende bewijslastverdeling inhoudt, dat thans de werkgever dient te bewijzen dat hij zijn zorgverplichting op het gebied van de veiligheid is nagekomen, bestaat onder de werking van eerstgenoemd artikel voor het handhaven van de hiervoor bedoelde strenge eisen met betrekking tot de stelplicht van de werkgever op dat punt geen grond meer. De Rechtbank heeft dit, door op de enkele grond dat [eiseres] geen ongevalsrapportage heeft doen opmaken te oordelen dat zij niet aan de in dit verband op haar rustende stelplicht heeft voldaan, miskend. Ook haar oordeel dat het ontbreken van een ongevalsrapportage zonder meer ertoe leidt dat [eiseres] met betrekking tot haar verweer dat het ongeval te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van [verweerder] evenmin aan haar stelplicht heeft voldaan, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is derhalve gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 3 maart 1999;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op ƒ 706,95 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 15 december 2000.