ECLI:NL:HR:2000:AA9132

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/011HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot opeisbaarheid van schuld en aflossingsregeling afgewezen in cassatie

Verweerster, de Gemeente 's-Gravenhage, verzocht bij de Kantonrechter te 's-Gravenhage dat verzoeker en zijn toenmalige echtgenote een bedrag van ƒ 12.339,46 schuldig zouden zijn en dat dit bedrag direct opeisbaar zou zijn bij niet-nakoming van de aflossingsregeling. De Kantonrechter wees dit verzoek toe. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij de Rechtbank te 's-Gravenhage, maar werd niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep, waarmee de beschikking van de Rechtbank bleef staan.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van verzoeker faalden en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door de raadsheren op 22 december 2000.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt verworpen en de beschikking van de Rechtbank blijft in stand.

Uitspraak

22 december 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/011HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Biemond,
t e g e n
DE GEMEENTE 'S-GRAVENHAGE, gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 23 januari 1998 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter te 's-Gravenhage en verzocht te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en zijn (toenmalige) echtgenote [betrokkene A] een bedrag van ƒ 12.339,46 schuldig zijn en dat dit bedrag terstond en in het geheel opeisbaar zal zijn indien zij de gemaakte en/of te maken aflossingsregeling niet nakomen.
Na mondelinge behandeling ter terechtzitting van 25 februari 1998, bij welke gelegenheid [verzoeker] het verzoek heeft bestreden, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 25 februari 1998 het verzoek toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage.
Bij beschikking van 13 december 1999 heeft de Rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 december 2000.