Uitspraak
[woonplaats].
15 februari 2000.
Hoge Raad
De betrokkene kreeg op 24 september 1996 een administratieve sanctie opgelegd wegens het niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht. Tegen deze beschikking stelde hij op 20 november 1996 beroep in bij de Officier van Justitie (OvJ).
De OvJ verklaarde het beroep op 23 september 1997 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, waarna de betrokkene op 30 oktober 1997 beroep instelde bij de Kantonrechter. De zitting vond plaats op 2 februari 1999, en op 16 februari 1999 verklaarde de Kantonrechter het beroep eveneens niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad constateerde dat tussen het instellen van het beroep bij de OvJ en de beslissing daarop tien maanden waren verstreken, en tussen het beroep bij de Kantonrechter en de beslissing bijna veertien maanden. Zonder bijzondere omstandigheden die dit lange tijdsverloop rechtvaardigen, oordeelde de Hoge Raad dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was geschonden. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking, de beslissing van de OvJ en de beslissing van de Kantonrechter.
Uitkomst: De administratieve sanctie wegens niet stoppen voor rood licht wordt vernietigd wegens schending van het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn.