Uitspraak
26 september 2000.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte veroordeeld voor medeplegen afpersing, meermalen gepleegde oplichting en valsheid in geschrift. Het hof had de verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, maar vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen.
In cassatie werd geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatiefase niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, waardoor de strafvermindering noodzakelijk was. Daarnaast werd vastgesteld dat het hof ten onrechte mede acht had geslagen op een eerdere terechtzitting die niet door dezelfde samenstelling van rechters was behandeld, wat een procedurele fout betrof.
Desondanks leidde deze procedurele onjuistheid niet tot vernietiging van het arrest, omdat de samenstelling van het hof bij de beraadslaging en beslissing identiek was en de verdachte niet in zijn belang was getroffen. De Hoge Raad vernietigde het arrest alleen voor zover het de strafoplegging betrof en verminderde de gevangenisstraf met vijf maanden tot vier jaar en zeven maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf van vijf jaar werd verminderd tot vier jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn en procedurele onjuistheden.