Uitspraak
[woonplaats].
4 april 2000.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beslissing van de kantonrechter te Lelystad die een administratieve sanctie wegens overschrijding van de maximumsnelheid buiten de bebouwde kom heeft bevestigd. Betrokkene voerde verweer tegen de sanctie en stelde dat bijzondere omstandigheden ter plaatse niet voldoende zijn meegewogen en dat hij ten onrechte niet is staande gehouden.
De Hoge Raad overweegt dat volgens artikel 21.a van het RVV 1990 de maximumsnelheid buiten de bebouwde kom afhankelijk is van het type weg: 120 km/u op autosnelwegen, 100 km/u op autowegen en 80 km/u op andere wegen. Wegen buiten de bebouwde kom die niet met de borden G1 of G3 zijn aangeduid, zijn 'andere wegen' waarop de maximumsnelheid van 80 km/u geldt.
De Hoge Raad stelt vast dat het oordeel van de kantonrechter dat betrokkene, ondanks de aangevoerde bijzondere omstandigheden, duidelijk had moeten zijn dat hij een andere weg betrad met een lagere maximumsnelheid, niet onbegrijpelijk of onjuist is. Tevens wordt het verweer verworpen dat betrokkene ten onrechte niet is staande gehouden, omdat bij radarsnelheidsmetingen geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestaat.
De Hoge Raad ziet geen reden om de bestreden beslissing te vernietigen en verwerpt het cassatieberoep. De sanctie blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de administratieve sanctie wegens snelheidsovertreding buiten de bebouwde kom blijft gehandhaafd.