ECLI:NL:HR:2001:AA9244

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35609
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • G.J. Zuurmond
  • A.E. de Moor
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 13a OpiumwetArt. 33 Wetboek van StrafrechtArt. 34 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen omzetbelastingheffing op verkoop van paddo's wegens EU-verbod

Belanghebbende exploiteert een smartshop waar zij paddo's verkoopt die psilocybine bevatten. Zij had omzetbelasting betaald over een bepaald tijdvak, maar maakte bezwaar tegen deze heffing. Het Hof vernietigde het besluit van de Inspecteur en bepaalde dat teruggaaf van de betaalde omzetbelasting moest plaatsvinden. De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil was of de levering van paddo's belast is met omzetbelasting en of het verlaagde tarief van 6% van toepassing is. Het Hof oordeelde dat de verkoop van paddo's verboden is in alle lidstaten van de Europese Gemeenschap, waardoor deze niet in het commerciële circuit van de EU plaatsvindt en geen omzetbelasting verschuldigd is.

De Hoge Raad bevestigde dat het Hof mocht aannemen dat alle lidstaten het Verdrag inzake Psychotrope stoffen hebben geïmplementeerd en een verbod op invoer en verhandeling van paddo's in hun wetgeving hebben opgenomen. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van het Hof in stand bleef.

De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af en stelde dat geen gronden aanwezig waren voor een dergelijke veroordeling. Het arrest werd op 3 januari 2001 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat de verkoop van paddo's niet belast is met omzetbelasting.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 35609
3 januari 2001
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 augustus 1999 betreffende het bedrag dat door X te Z als omzetbelasting op aangifte is voldaan over het tijdvak 1 februari 1996 tot en met 31 december 1996.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende heeft over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van - voorzover hier van belang - ¦ 5.321,-- aan omzetbelasting. Zij heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en verzocht om teruggaaf van genoemd bedrag, waarna de Inspecteur bij uitspraak dit bezwaar heeft afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en heeft bepaald dat de Inspecteur een teruggaaf aan belanghebbende verleent van ¦ 5.321,-- aan omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 7 juli 2000 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende exploiteert een ‘smartshop’ waar zij zogenoemde ecodrugs verkoopt. Hiertoe behoren onder meer gedroogde, psilocybine (een geestverruimend middel) bevattende paddestoelen (aangeduid als: paddo's).
3.2. In geschil is of de levering van paddo's is belast met omzetbelasting en zo ja, of het verlaagde tarief van 6% van toepassing is.
3.3. Krachtens de Opiumwet is verboden het bereiden, be- of verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van middelen, vermeld op de bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens algemene maatregel van bestuur (artikel 2 van Pro de Opiumwet). Tevens is het verboden om die middelen aanwezig te hebben of te vervaardigen. In lijst I staat onder C: ‘Psilocine’ en ‘Psilocybine’, alsmede ‘Preparaten die één of meer van vorengenoemde substanties bevatten’. Onverminderd het bepaalde in artikelen 33 tot en met 35 en 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht worden de in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet bedoelde middelen (dus ook middelen bevattende psilocybine) verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken (artikel 13a van de Opiumwet).
Het vorenstaande is in overeenstemming met het bepaalde in het Verdrag inzake Psychotrope stoffen, gesloten te Wenen op 21 februari 1971 (Trb. 1989, 129; hierna: het PSV) en door Nederland goedgekeurd bij Rijkswet van 2 juli 1993 (Stb. 1993, 448). Krachtens dit verdrag, tot welk alle lidstaten van de EG zijn toegetreden, dienen de aangesloten Staten elk gebruik van de op de bij dit verdrag behorende lijst I te verbieden, behalve het gebruik voor wetenschappelijke en zeer beperkte medische doeleinden. Genoemde lijst I vermeldt onder meer psilocybine, alsmede preparaten die deze substantie bevatten. Niet in geschil is dat de litigieuze producten onder deze producten zijn te begrijpen.
3.4. Het Hof heeft uit het hiervóór in 3.3 vermelde de conclusie getrokken dat ervan kan worden uitgegaan dat de verkoop van paddo’s in alle lidstaten van de EG verboden is. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verkoop van paddo’s niet in het commerciële circuit van de EU plaatsheeft en bijgevolg geen omzetbelastingschuld doet ontstaan. Kennelijk heeft het Hof bedoeld te oordelen dat ten aanzien van de paddo’s een absoluut invoer- en verhandelingverbod bestaat, dat gebaseerd is op de aard van het goed, terwijl met betrekking tot de handel in paddo’s door dat verbod en die aard elke mededinging tussen de legale en illegale economische sector is uitgesloten, een en ander zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG, die is aangehaald in onderdeel 2.1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.5. Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of inderdaad alle lidstaten van de EG het PSV hebben geïmplementeerd en op welke wijze het handhaven van het verbod tot verkoop van (psilocybine bevattende) paddo’s gestalte heeft gekregen. Voor wat betreft dit laatste faalt het middel op de in onderdeel 4.8, laatste twee volzinnen, van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde grond.
3.6. Het middel faalt ook voor het overige. Het Hof mocht ervan uitgaan dat alle lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het PSV zijn nagekomen en een verbod tot invoer en verhandeling van paddo’s in hun wetgeving hebben geïmplementeerd, nu ten processe niet is aangevoerd dat grond bestaat om aan te nemen dat zulks in één of meer staten niet is geschied.
3.7. Op grond van hetgeen hiervóór in 3.5 en 3.6 is overwogen kan het middel niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is op 3 januari 2001 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.E. de Moor, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.