3. Beoordeling van de middelen
3.1. Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de kosten van een in verband met invaliditeit gehouden auto die niet zijn aan te merken als kosten van vervoer in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp, of als kosten ter zake van regelmatig ziekenbezoek, kunnen worden gerangschikt onder de buitengewone lasten ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, lid 1, aanhef en letter b, en lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, moet worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene.
3.2. Het Hof heeft de autokosten in bovenbedoelde zin van belanghebbende bepaald op ƒ 348 door in het voetspoor van de Inspecteur uit te gaan van 1200 door belanghebbende in verband met invaliditeit van zijn echtgenote extra gereden kilometers en deze in aanmerking te nemen naar een variabele kilometerprijs van ƒ 0,29 per kilometer. Het heeft vervolgens, na de autokosten voor bezoeken aan medische specialisten te hebben gesteld op ƒ 3805,92, geoordeeld dat een bedrag van (ƒ 348 + ƒ 3806 =) ƒ 4154 moet worden aangemerkt als extra vervoerskosten in verband met invaliditeit. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende in verband met de handicap van zijn echtgenote een duurdere auto heeft aangeschaft dan vergelijkbare belastingplichtigen zouden doen, aan evenvermeld oordeel niet afdoet, aangezien met die omstandigheid in de gehanteerde kilometerprijs voldoende rekening is gehouden.
3.3. Uit hetgeen in 3.1 is overwogen, volgt dat het in dit geval gaat om de vraag welke objectief te bepalen meerkosten voor autogebruik belanghebbende heeft gemaakt ten opzichte van personen wier echtgenote niet ziek of invalide is, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren (vgl. HR 15 december 1999, nr. 35157, BNB 2000/61). Het gaat hier dus niet om het vaststellen van de aan een bepaald aantal kilometers verbonden kosten, zoals noodzakelijk kan zijn bijvoorbeeld bij aftrekbare kosten (vgl. HR 13 maart 1985, nr. 22803, BNB 1985/201) of uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud (vgl. HR 15 juli 1998, nr. 33586, BNB 1998/315), in welk geval die kosten moeten worden gesteld op een evenredig deel van de totale kosten.
3.4. Nu het Hof niet is uitgegaan van de objectieve meerkosten van het autogebruik door belanghebbende, maar de (variabele) lasten per kilometer in aanmerking heeft genomen van een aantal, door het Hof op 1200 gestelde, ‘extra kilometers’, heeft het een onjuiste maatstaf gehanteerd. Voorzover in de middelen op het voorgaande gerichte klachten besloten liggen, treffen zij doel.
3.5. Voor het overige falen de middelen. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.6. Gelet op het onder 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.