ECLI:NL:HR:2001:AA9629
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel over bedrijfswaarde en verliescompensatie in vennootschapsbelastingzaak
In deze zaak betrof het een geschil over de aanslag vennootschapsbelasting 1980 opgelegd aan een naamloze vennootschap. De Inspecteur had de aanslag verminderd wegens terugwenteling van een verlies geleden in 1981, maar belanghebbende was tegen deze uitspraak in beroep gegaan. Na eerdere procedures vernietigde de Hoge Raad een eerdere uitspraak en verwees de zaak terug naar het Hof te ’s-Gravenhage.
Het Hof vernietigde vervolgens de aanslag en stelde deze vast op nihil vanwege de terugwenteling van het verlies over 1981, behoudens andere aanslagonderdelen. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in. De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie, waarbij het eerste middel betrekking had op de waardering van de bedrijfswaarde van de deelneming in E Inc. Het Hof had de bedrijfswaarde vastgesteld aan de hand van een verkoopwaarde en externe goodwill, en dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onjuist bevonden.
Het tweede middel richtte zich op het oordeel dat geen waarde kon worden toegekend aan verliescompensatie bij E Inc. De Hoge Raad vond dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het derde middel betrof een vermeende informele kapitaalstorting, maar dit kon geen cassatie leiden wegens gebrek aan belang. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof over de bedrijfswaarde en verliescompensatie.