Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AA9667

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/107HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • R. Herrmann
  • J.B. Fleers
  • H.A.M. Aaftink
  • A. Hammerstein
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen wrakingsbeslissing hof

In deze zaak heeft verzoeker tegen een wrakingsbeslissing van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het hof had het wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen, waarna verzoeker zich tot de Hoge Raad wendde. De Advocaat-Generaal adviseerde om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat art. 32 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering duidelijk bepaalt dat tegen een beslissing in een wrakingsincident geen hoger beroep mogelijk is.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en wees het beroep van verzoeker af wegens niet-ontvankelijkheid. Er was geen aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie die het rechtsmiddelenverbod in deze situatie bevestigt. De Hoge Raad verwees ook naar een eerdere uitspraak (HR 22 januari 1999, nr. R98/091) die deze lijn ondersteunt.

De beschikking werd gegeven door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Heemskerk op 26 januari 2001. Hiermee werd het cassatieberoep definitief afgewezen.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de wrakingsbeslissing van het hof.

Uitspraak

26 januari 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/107HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie.
1. Het geding in feitelijke instanties
De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop van dit geding tussen thans verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - naar zijn arrest van 14 januari 2000, NJ 2000, 236.
Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het beroep van [verzoeker] verworpen. Hierna heeft het Hof de behandeling van het hoger beroep hervat. Op de rolzitting van 27 april 2000 heeft [verzoeker] leden van het Hof gewraakt.
De gewraakte leden hebben niet in de wraking berust. Namens [verweerster] is op 11 mei 2000 een verweerschrift ingediend, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.
Bij beslissing van 7 juni 2000 is het wrakingsverzoek afgewezen.
De beslissing van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beslissing van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De leden van het Hof en [verweerster] hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De duidelijke en algemeen luidende bewoordingen van art. 32 lid 5 Rv Pro. laten geen ruimte om de bepaling op grond van de ontstaansgeschiedenis anders te interpreteren dan in die zin dat tegen de beslissing in een incident tot wraking generlei hogere voorziening is toegelaten. (HR 22 januari 1999, nr. R98/091, NJ 1999, 243.)
Voor zover het middel de strekking heeft de Hoge Raad te doen terugkomen van deze beslissing, faalt het. De Hoge Raad ziet daartoe geen reden.
Nu het middel geen klachten bevat die grond kunnen opleveren voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, dient [verzoeker] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 26 januari 2001.