ECLI:NL:HR:2001:AA9897
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verlies onderscheidend vermogen vormmerk leidt tot geen merkrechtelijke bescherming
In deze zaak stond centraal de vraag of een vormmerk dat zijn onderscheidend vermogen heeft verloren, nog bescherming kan genieten onder het Benelux-merkenrecht. De Hoge Raad verwees naar een eerder tussenarrest en een uitspraak van het Benelux-Gerechtshof waarin werd vastgesteld dat het onderscheidend vermogen van het vormmerk cruciaal is voor de merkrechtelijke bescherming.
De zaak betrof een geschil tussen Beaphar B.V. en Nederlandse Dermolin Maatschappij Nederma B.V. over het gebruik van een hartvormig merk. Het Hof had geoordeeld dat de hartvorm niet langer functioneerde als herkomstaanduiding voor het publiek, waardoor het vormmerk zijn onderscheidend vermogen had verloren.
De Hoge Raad bevestigde dat als het onderscheidend vermogen van een vormmerk ten tijde van het inbreukmakende gebruik geheel is verdwenen, de merkhouder zich niet kan verzetten tegen het gebruik van dat merk door derden. Dit oordeel staat los van het feit dat een deel van het publiek de waren nog als afkomstig van één onderneming kan herkennen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Beaphar en veroordeelde haar in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat het verlies van onderscheidend vermogen het einde betekent van de merkrechtelijke bescherming voor het vormmerk in kwestie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Beaphar wordt verworpen omdat het vormmerk zijn onderscheidend vermogen heeft verloren.