ECLI:NL:HR:2001:AA9899
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vaststelling levensonderhoudsuitkering na echtscheiding
Partijen zijn in 1993 gehuwd en kregen een dochter in 1995. Na hun echtscheiding in 1998 werd bepaald dat de man een maandelijkse uitkering aan de vrouw moest betalen voor haar levensonderhoud. De rechtbank stelde dit bedrag op ƒ 3.000,-- per maand, met ingang van de inschrijving van de echtscheiding.
De man stelde hoger beroep in en verzocht om een lagere uitkering, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde om het bedrag te verhogen naar ƒ 5.361,--. Het hof bekrachtigde uiteindelijk de beschikking van de rechtbank en wees de overige verzoeken af.
De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het hofbesluit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht rekening hield met de woonlasten van de vrouw en dat de motivering van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende was. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van het hof ongewijzigd bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt de beschikking tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud door de man aan de vrouw.