ECLI:NL:HR:2001:AB0033
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek vervangende toestemming erkenning minderjarig kind tegen wil moeder
In deze zaak verzocht de vader via de Rechtbank vervangende toestemming om zijn minderjarige zoon te erkennen, nadat de moeder haar toestemming had geweigerd. De Rechtbank verleende deze toestemming, welke door het Gerechtshof werd bekrachtigd. De moeder stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissingen.
De Hoge Raad oordeelde dat bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming de belangen van de verwekker, het kind en de moeder tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het belang van de moeder betreft het behoud van een ongestoorde verhouding met het kind. Het Hof had deze belangenafweging correct toegepast.
De moeder stelde dat het Hof essentiële stellingen niet had meegewogen, zoals dat het kind niet gewenst was, haar depressieve klachten verergerden door contact met de vader, en haar angst dat de vader het kind naar Peru zou meenemen. De Hoge Raad vond dat het Hof deze stellingen wel had overwogen en deze als onvoldoende onderbouwd of van onvoldoende gewicht had beoordeeld.
Verder betoogde de moeder dat het Hof een te beperkte maatstaf hanteerde voor schade aan het kind, maar de Hoge Raad stelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de psychische belasting van de moeder niet zodanig was dat zij het kind geen stabiel opvoedingsklimaat kon bieden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van Rechtbank en Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vervangende toestemming voor erkenning door de vader.