ECLI:NL:HR:2001:AB0033

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/084HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BW
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek vervangende toestemming erkenning minderjarig kind tegen wil moeder

In deze zaak verzocht de vader via de Rechtbank vervangende toestemming om zijn minderjarige zoon te erkennen, nadat de moeder haar toestemming had geweigerd. De Rechtbank verleende deze toestemming, welke door het Gerechtshof werd bekrachtigd. De moeder stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissingen.

De Hoge Raad oordeelde dat bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming de belangen van de verwekker, het kind en de moeder tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het belang van de moeder betreft het behoud van een ongestoorde verhouding met het kind. Het Hof had deze belangenafweging correct toegepast.

De moeder stelde dat het Hof essentiële stellingen niet had meegewogen, zoals dat het kind niet gewenst was, haar depressieve klachten verergerden door contact met de vader, en haar angst dat de vader het kind naar Peru zou meenemen. De Hoge Raad vond dat het Hof deze stellingen wel had overwogen en deze als onvoldoende onderbouwd of van onvoldoende gewicht had beoordeeld.

Verder betoogde de moeder dat het Hof een te beperkte maatstaf hanteerde voor schade aan het kind, maar de Hoge Raad stelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de psychische belasting van de moeder niet zodanig was dat zij het kind geen stabiel opvoedingsklimaat kon bieden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van Rechtbank en Hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vervangende toestemming voor erkenning door de vader.

Uitspraak

16 februari 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/084HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
[De vader], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 9 november 1998 ter griffie van de Rechtbank te Haarlem ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht vervangende toestemming te verlenen om zijn minderjarige zoon [..] geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], te erkennen.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 23 februari 1999 mr. M.J.F.A. Mutsaers tot bijzondere curator benoemd voor [het] minderjarige [kind] en heeft bij eindbeschikking van 27 april 1999 de verzochte vervangende toestemming tot erkenning verleend.
Tegen beide beschikkingen heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft verzocht de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de man af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht te bepalen dat het informatierecht buiten toepassing moet blijven.
De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van de zaak geconcludeerd de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek tot verkrijging van vervangende toestemming af te wijzen.
Bij beschikking van 20 april 2000 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd en de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot het buiten beschouwing laten van de vastgestelde informatieplicht.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
Partijen hebben vanaf oktober 1995 tot omstreeks eind 1997, begin 1998, een affectieve relatie gehad. De laatste anderhalf jaar hebben zij samengewoond. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 1998 het kind [..] geboren. De moeder heeft de relatie van partijen verbroken negen dagen nadat zij ervan op de hoogte was dat zij in verwachting was. De moeder heeft van rechtswege het gezag over het kind. De vader wil het kind erkennen, doch de moeder heeft haar toestemming daarvoor niet willen verlenen.
3.2 De vader heeft voor de Rechtbank op de voet van art. 1:204 lid 3 BW Pro vervangende toestemming verzocht. Het verzoek is door de Rechtbank toegewezen. Het Hof heeft de desbetreffende beschikking bekrachtigd.
3.3 Het Hof heeft bij de beoordeling van de vraag of vervangende toestemming moest worden verleend tot uitgangspunt genomen dat het belang van de verwekker bij vervangende toestemming dient te worden afgewogen tegen de vraag of erkenning door de verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden (rov. 4.5). Vervolgens heeft het Hof enige bij de totstandkoming van art. 1:204 lid 3 BW Pro genoemde situaties, die ertoe zouden kunnen leiden dat de gevraagde toestemming moet worden geweigerd, onderkend, en heeft het geoordeeld dat die situaties zich in het onderhavige geval niet voordeden en dat overigens uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet is gebleken van een situatie waarin de belangen van de verwekker en het kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind (rov. 4.6). Het Hof heeft daarbij onder ogen gezien dat schade aan de belangen van het kind eveneens aan de verlening van vervangende toestemming in de weg zou kunnen staan, indien de moeder door de erkenning in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind een stabiel opvoedingsklimaat te bieden (rov. 4.7), doch heeft kennelijk geoordeeld dat die situatie zich in het onderhavige geval niet voordeed.
3.4 Middel I bestrijdt de hiervoor vermelde oordelen met het betoog dat bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming het belang van de verwekker bij de erkenning slechts een rol kan spelen indien, en derhalve nadat, is vastgesteld dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden.
Het middel faalt. Op grond van zijn, in de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker onder 2.1.2 weergegeven, ontstaansgeschiedenis moet art. 1:204 lid 3 BW Pro aldus worden uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechter zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is daarbij in art. 1:204 lid 3 nader Pro omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Het Hof heeft bij de beoordeling van het verzoek van de vader deze belangenafweging terecht tot uitgangspunt genomen. De bestreden oordelen geven dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.5 Middel II betoogt dat het Hof essentiële stellingen, die, als zij zouden komen vast te staan, zouden moeten leiden tot de conclusie dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind worden geschaad, heeft gepasseerd, althans niet in zijn oordeel heeft betrokken. Het middel noemt de volgende stellingen: a). het kind was wat de man betreft niet gewenst; b). de depressieve klachten van de moeder verergeren door contacten met de vader en contacten tussen de vader en het kind; c). de moeder is bang dat de vader het kind mee zal nemen naar Peru.
Voorzover het middel betoogt dat het Hof de stellingen niet heeft onderkend, mist het feitelijke grondslag, nu het Hof, zoals blijkt uit rov. 4.2, kennis heeft genomen van de stellingen van de moeder. Het Hof heeft deze stellingen kennelijk onvoldoende onderbouwd geoordeeld tegenover de betwisting van de man (stelling a en c, rov. 4.3 en 4.6), als ook van onvoldoende gewicht (stelling b, rov. 4.7). Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt derhalve ook voor het overige.
3.6 In rov. 4.7 heeft het Hof schade aan de belangen van het kind nader omschreven als het aanwezig zijn van reële risico’s dat het kind ten gevolge van de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Middel III acht deze maatstaf te beperkt; het middel betoogt dat het Hof over het hoofd ziet dat het feit dat de erkenning een grote belasting voor de moeder is, eveneens een psychische belasting voor het kind kan vormen.
Ook dit middel faalt. Het middel miskent dat het Hof in rov. 4.7 een oordeel geeft over wat het belang van het kind in het onderhavige geval inhoudt en hoe dat belang moet worden afgewogen. In deze rechtsoverweging ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat de psychische belasting van de moeder niet zodanig is dat zij daardoor haar kind geen stabiel opvoedingsklimaat kan bieden. Dit oordeel is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden. Het is, mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, niet onbegrijpelijk.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 februari 2001.