ECLI:NL:HR:2001:AB0198
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in faillissementszaak
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 februari 2001 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep ingesteld door [eiser] tegen twee beschikkingen van de Rechtbank te 's-Gravenhage. De Rechtbank had op 22 januari 1997 [eiser] in staat van faillissement verklaard en de curator, mr. E.N. Muller, aangesteld. Op 6 januari 1999 heeft [eiser] een akkoord aangeboden aan zijn schuldeisers, dat op 20 januari 1999 tijdens een verificatievergadering werd aangenomen. De Rechtbank heeft het akkoord bij beschikking gehomologeerd en het salaris van de curator vastgesteld. Echter, in het dictum van deze beschikking was abusievelijk een verkeerde datum vermeld, die later door de Rechtbank is hersteld.
Tegen beide beschikkingen heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep ten onrechte bij dagvaarding was ingesteld, aangezien de bestreden uitspraken beschikkingen zijn en niet via dagvaarding kunnen worden aangevochten. De Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde [eiser] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep, waarbij hij ook de kosten van het geding aan de zijde van de curator op nihil begrootte.
De uitspraak benadrukt het belang van de juiste procedurele stappen in faillissementszaken en de noodzaak voor partijen om zich aan de wettelijke vereisten te houden bij het indienen van cassatieberoepen. De zaak is van belang voor de rechtspraktijk, omdat het de grenzen van de ontvankelijkheid in cassatie verduidelijkt, vooral in het kader van faillissementsrecht.