ECLI:NL:HR:2001:AB0282
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongelijke behandeling motorrijtuigenbelasting invalidenparkeerkaart
Belanghebbende betaalde motorrijtuigenbelasting over een periode in 1998 en maakte bezwaar tegen het geheven bedrag. De Inspecteur wees het bezwaar af, en het Hof bevestigde deze beslissing. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het Hofarrest.
De zaak betrof de toepassing van een overgangsregeling in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, die houders van personenauto's met een invalidenparkeerkaart op 1 januari 1995 een gunstiger tarief gaf. Belanghebbendes echtgenoot was nierdialysepatiënt maar had geen invalidenparkeerkaart aangevraagd.
Het Hof oordeelde dat het feit dat belanghebbende anders werd behandeld dan houders met een invalidenparkeerkaart geen verboden ongelijke behandeling vormde. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, stellende dat de wetgever redelijkerwijs mocht aannemen dat houders met een invalidenparkeerkaart in sterkere mate op een motorrijtuig zijn aangewezen dan personen die wel medische behandeling ondergaan maar geen kaart hebben.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee werd de uitspraak van het Hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.