ECLI:NL:HR:2001:AB0637
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijkheid bezwaartermijn in omzetbelastingzaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de periode 1986 tot en met 1997. De Inspecteur verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk en het Gerechtshof Amsterdam verklaarde de beroepen ongegrond. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het belanghebbende vrijstond om al dan niet een vaststellingsovereenkomst met de Inspecteur te sluiten en dat het niet sluiten daarvan geen grond voor cassatie bood. Tevens werd geoordeeld dat de bezwaartermijn van zes weken, zoals bepaald in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, niet onredelijk kort is en niet in strijd met het gemeenschapsrecht, omdat deze termijn een redelijke termijn is die de uitoefening van rechten niet praktisch onmogelijk maakt.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het Hof terecht de bewijslast bij de belanghebbende legde omtrent de vraag of de termijnoverschrijding aan haar kon worden toegerekend, waarbij het Hof aannam dat de Inspecteur de onjuistheid van de stelling van belanghebbende had bewezen. De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde de beroepen ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de redelijkheid van de zes weken bezwaartermijn.