ECLI:NL:HR:2001:AB0813

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/089HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • W.H. Heemskerk
  • A.E.M. Van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BWArt. 429a RvArt. 429r RvArt. 6 Besluit oproepingenArt. 57b Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking ontbinding arbeidsovereenkomst wegens schending hoor en wederhoor

Verweerster heeft bij de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met verzoekster te ontbinden. Verzoekster is niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden, waarna verzoekster hoger beroep instelde. De rechtbank verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk, waarna verzoekster cassatie instelde.

De Hoge Raad oordeelt dat de oproeping van verzoekster niet volgens de vereisten van het Besluit oproepingen is verlopen. Hoewel verzoekster niet op de terechtzitting verscheen, was de aangetekende oproeping niet afgehaald en is niet onverwijld een gewone brief verzonden, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Tevens worden de kosten van het cassatiegeding aan SVRZ opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitspraak

30 maart 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/089HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.J. Swelheim,
t e g e n
STICHTING VOOR REGIONALE ZORGVERLENING, gevestigd te Middelburg,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 22 oktober 1999 ter griffie van het Kantongerecht te Middelburg ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: SVRZ - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht de arbeidsovereenkomst met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - te ontbinden.
[Verzoekster] heeft geen verweerschrift ingediend.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 2 december 1999 de arbeidsovereenkomst met ingang van 2 december 1999 ontbonden.
Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Middelburg.
Bij beschikking van 10 mei 2000 heeft de Rechtbank [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
SVRZ heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugverwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) SVRZ heeft op de voet van art. 7:685 BW Pro ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen verzocht.
(ii) De griffier van het kantongerecht heeft [verzoekster] bij aangetekende brief opgeroepen voor de op 18 november 1999 te houden terechtzitting.
(iii) [Verzoekster] heeft geen verweerschrift ingediend en is op de terechtzitting van 18 november 1999 niet verschenen.
(iv) SVRZ heeft op verzoek van de Kantonrechter een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie overgelegd, waaruit is gebleken dat [verzoekster] staat ingeschreven op het adres waar zij was opgeroepen.
(v) Vóór het geven van de beschikking door de Kantonrechter is de aangetekende brief houdende de oproeping van [verzoekster] door de griffie terugontvangen van de PTT Post met de vermelding "niet afgehaald".
(vi) De Kantonrechter heeft geoordeeld dat [verzoekster] behoorlijk is opgeroepen en dat het niet afhalen van de postzending voor haar risico moet blijven, en heeft het verzoek van SVRZ toegewezen.
3.2 [Verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld en onder meer aangevoerd dat de Kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel, het beginsel van hoor en wederhoor, heeft geschonden door op het verzoek te beschikken zonder inachtneming van art. 6 van Pro het Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure (hierna: het Besluit), nu de griffier na het terugontvangen van een bij aangetekende brief verzonden stuk in strijd met voormeld art. 6 heeft Pro gehandeld door na te laten het stuk onverwijld bij gewone brief aan [verzoekster] te verzenden, waardoor de oproeping haar niet heeft bereikt en zij geen verweer heeft kunnen voeren.
3.3 De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld:
a) Het Besluit is, gelet op art. 1 daarvan Pro, niet van toepassing op oproepingen in het kader van een procedure ex art. 7:685 BW Pro, nu de Twaalfde Titel van Boek I Rv. bij het in werking treden van Titel 10 van Boek 7 BW niet van toepassing is verklaard op verzoeken, gebaseerd op die Titel.
b) De wijze van oproepen ingevolge art. 6 van Pro het Besluit verdraagt zich niet met het op een spoedige beslissing gerichte karakter van de procedure ex art. 7:685 BW Pro, zodat het Besluit ook niet analoog kan worden toegepast op oproepingen in het kader van die procedure.
c) Gelet op de door de Rechtbank in haar rov. 3.3 beschreven gang van zaken, eindigend met het niet afhalen door [verzoekster] van de aangetekend aan haar verzonden oproeping en het door de griffier terugontvangen daarvan met de vermelding "niet afgehaald", is de Rechtbank van oordeel dat [verzoekster] behoorlijk is opgeroepen en dat de Kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft geschonden.
3.4 Middel 1 betoogt in onderdeel 1 dat het hiervoor in 3.3 onder a) weergegeven oordeel rechtens onjuist is.
Het onderdeel is gegrond. Bij de Wet van 10 maart 1984, Stb. 1984, 97, zijn de art. 429a-429r Rv. in werking gesteld voor het vierde en het vijfde Boek (oud) BW, waaronder art. 1639w (oud) BW. Dit wetsartikel is op 1 januari 1992 overgebracht naar Boek 7A BW als art. 7A:1639w (oud) BW, dat op 1 april 1997 is overgebracht naar Boek 7 BW als art. 7:685 BW Pro. Hoewel bij dit een en ander de art. 429a-429r Rv. niet opnieuw van toepassing zijn verklaard, moet worden aangenomen dat zij van toepassing zijn gebleven op verzoekschriftprocedures gebaseerd op art. 7A:1639w (oud) BW of op art. 7:685 BW Pro. Hun toepasselijkheid brengt mee dat ook het Besluit in deze procedures van toepassing is (art. 429r Rv.).
3.5 Voor zover onderdeel 2 van middel 1 zich richt tegen het in 3.3 onder b) weergegeven oordeel, is het gegrond. De in het Besluit gegeven voorschriften voor de wijze van oproepen houden verband met het recht om verweer te voeren en dienen aldus een belang dat zwaarder weegt dan het belang dat is gelegen in een snelle beslissing door de rechter op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het Besluit, dat rechtstreeks van toepassing is in de in art. 7:685 BW Pro bedoelde verzoekschriftprocedure, is geenszins onverenigbaar met het karakter van deze procedure.
Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling.
3.6 Uit het in 3.4 en 3.5 overwogene volgt dat ook de in middel 1 onder "algemeen" en in onderdeel 1 aan het slot tegen het in 3.3 onder c) weergegeven oordeel aangevoerde klachten slagen. Uit de door de Rechtbank in rov. 3.3 vermelde feiten blijkt dat art. 6 van Pro het Besluit in de procedure voor de Kantonrechter niet is in acht genomen. Het oordeel van de Rechtbank dat [verzoekster] behoorlijk is opgeroepen en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden, is derhalve onjuist.
Dit brengt mee dat de in onderdeel 3 tegen rov. 3.3 aangevoerde motiveringsklachten geen behandeling behoeven.
3.7 Middel 2 faalt op de gronden, aangegeven in de rov. 4.1 en 4.2 van HR 29 september 2000, nr. R00/001, RvdW 2000, 194.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Middelburg van 10 mei 2000;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt SVRZ in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] begroot op ƒ 3.525,-- in totaal, waarvan ƒ 3.406,25 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 118,75 te voldoen aan [verzoekster].
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. Van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 30 maart 2001.