ECLI:NL:HR:2001:AB0906
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid optieverklaring en vaststelling Nederlandse nationaliteit
Verzoeker heeft bij de rechtbank primair gevorderd vaststelling van het bezit van de Nederlandse nationaliteit en subsidiair dat hij die heeft bezeten, met vaststelling van het moment van verlies. Hij baseert dit op de stelling dat de optieverklaring van zijn vader voor de Indonesische nationaliteit ongeldig was omdat diens verblijf in Indonesië niet voldeed aan de zesmaandenvoorwaarde voorafgaand aan de soevereiniteitsoverdracht.
De rechtbank wees het verzoek af, stellende dat de vader van verzoeker ten minste zes maanden voorafgaand aan de optieverklaring in Indonesië woonde en dat de termijn van zes maanden moet worden geteld voorafgaand aan de datum van de optieverklaring, niet voorafgaand aan de soevereiniteitsoverdracht.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het cassatieberoep af. De Raad overweegt dat art. 3 OTSI Pro niet expliciet een andere peildatum dan de optieverklaring noemt en dat de bewoordingen en ontstaansgeschiedenis van de OTSI deze uitleg ondersteunen. De overweging in de considerans van de OTSI, die het tijdstip van de soevereiniteitsoverdracht noemt, staat niet aan deze uitleg in de weg.
De Hoge Raad oordeelt dat de optieverklaring rechtsgeldig is uitgebracht en dat verzoeker derhalve niet de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van art. 1 sub a van Pro de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap 1892.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de optieverklaring van de vader wordt als rechtsgeldig bevestigd.