ECLI:NL:HR:2001:AB0984
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over navorderingsaanslag successierecht en verwijst terug
Belanghebbende kreeg aanvankelijk een aanslag successierecht opgelegd en daarna een navorderingsaanslag. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de navorderingsaanslag, wat door het Hof werd bevestigd. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Het Hof had geoordeeld dat de uitkering aan belanghebbende voortvloeide uit een beding ten behoeve van een derde binnen de arbeidsovereenkomst van haar overleden echtgenoot, en dat dit een onttrekking aan het vermogen van de echtgenoot betekende in de zin van artikel 13 Successiewet Pro 1956.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof het begrip 'beding ten behoeve van een derde' te ruim had uitgelegd, omdat de verplichting tot uitkering rechtstreeks uit de wet voortvloeit en niet uit een beding van de werknemer. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het Hof te ’s-Gravenhage voor nader onderzoek of belanghebbende meer heeft verkregen dan uit de wettelijke bepaling voortvloeit.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten. Het arrest werd uitgesproken op 11 april 2001.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Hof te ’s-Gravenhage voor nader onderzoek.