ECLI:NL:HR:2001:AB1058
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onrechtmatige hinder door geluidsoverlast en verwerpt beroep van de Staat
De zaak betreft een geschil over schadevergoeding wegens geluidsoverlast veroorzaakt door militaire luchtvaartactiviteiten. Na eerdere procedures heeft het Hof Amsterdam geoordeeld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door geluidshinder te veroorzaken die de maximaal toelaatbare geluidsbelasting overschreed. De Staat stelde zich op het standpunt dat het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen (BGGL) niet van toepassing was en dat de vergoedingsplicht exclusief geregeld zou zijn in de Luchtvaartwet en uitvoeringsregelingen.
De Hoge Raad oordeelt dat noch de inhoud noch de ratio van de Luchtvaartwet en haar uitvoeringsregelingen een exclusieve regeling vormen die een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad uitsluit. Het Hof heeft terecht onderzocht of er sprake was van onrechtmatige hinder in de periode medio 1979 tot 1 januari 1988, waarbij het BGGL als maatstaf voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is gehanteerd, zonder dit besluit onjuist toe te passen.
De Hoge Raad wijst het beroep van de Staat af en bevestigt dat de feitelijke geluidsbelasting het toegestane maximum overschreed, waardoor de Staat aansprakelijk is voor de schade. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. Hiermee wordt de vordering van verweerders tot schadevergoeding bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen en de aansprakelijkheid voor geluidsoverlast wordt bevestigd.