ECLI:NL:HR:2001:AB1202
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor kosten sanering bodemverontreiniging door HCH onder Wet bodembescherming
De Staat vorderde van Akzo vergoeding van kosten voor onderzoek en sanering van bodemverontreiniging met het insecticide HCH, waarvan een deel op het voormalige bedrijfsterrein van Stork lag, dat aan Akzo was verkocht. De rechtbank en het hof onderzochten of Akzo aansprakelijk was op grond van art. 75 lid 1 en Pro lid 6 van de Wet bodembescherming (Wbb).
Het hof oordeelde dat Akzo niet onrechtmatig had gehandeld, maar dat zij ernstig verwijtbaar had gehandeld door onvoldoende zorg te betrachten bij het afvoeren van verontreinigde grond en puin. De Hoge Raad stelt dat het hof het begrip 'ernstig verwijtbaar' niet correct heeft uitgelegd: dit vereist opzettelijk of bewust roekeloos handelen.
De Hoge Raad vernietigt daarom de arresten van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens verduidelijkt de Hoge Raad dat met 'ernstige gevaren' in art. 75 lid 6 Wbb Pro wordt bedoeld de gevaren voor mens en milieu door stoffen in de bodem, niet de algemene gevaren van die stoffen.
De Staat wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De zaak betreft complexe milieuaansprakelijkheid en de uitleg van wettelijke aansprakelijkheidscriteria onder de Wbb.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de arresten en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de aansprakelijkheid van Akzo voor bodemverontreiniging onder de Wet bodembescherming.