ECLI:NL:HR:2001:AB1209
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Hoge Raad bij rechtsvordering tegen Centrale Raad van Beroep wegens rechtsweigering
Verzoeker heeft de Hoge Raad verzocht kennis te nemen van twee verzoeken op grond van art. 844 e.v. Rv. gericht tegen de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en haar leden wegens vermeende rechtsweigering, onder meer het niet opleggen van dwangsommen en het niet tijdig beslissen op verzoekschriften.
De Hoge Raad overwoog dat de gevallen waarin hij bevoegd is kennis te nemen van rechtsvorderingen uit hoofde van rechtsweigering bij uitsluiting zijn geregeld in art. 846 lid 2 Rv Pro., en dat deze bepaling geen bevoegdheid aan de Hoge Raad toekent voor zaken tegen de CRvB of haar leden. Ook is geen grond aanwezig om de artikelen 844 e.v. Rv. analoog toe te passen op de CRvB.
De Hoge Raad benadrukt dat ondanks het ontbreken van deze bevoegdheid, andere rechtsmiddelen voor de verzoeker openstaan, zoals het aanspreken van de Staat op grond van de Beroepswet en Wet RO. De Hoge Raad verklaart zich daarom onbevoegd om uitspraak te doen op de verzoeken en wijst het verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de verzoeken wegens rechtsweigering door de Centrale Raad van Beroep.