ECLI:NL:HR:2001:AB1297

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36029
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 3 letter a Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen aftrek voor pulsors als hulpmiddelen bij inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 50.811. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Het Hof Arnhem vernietigde deze uitspraak en verlaagde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 49.136, omdat het oordeelde dat de door belanghebbende aangeschafte pulsors als hulpmiddelen konden worden beschouwd.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het causaliteitscriterium dat het Hof hanteerde onvoldoende is voor het aanmerken van middelen als hulpmiddelen volgens artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het middel moet een bijzondere hoedanigheid bezitten, uitsluitend gebruikt worden door zieke of invalide personen, of een gestoorde elementaire lichaamsfunctie kunnen overnemen.

De pulsors bleken volgens de stukken niet uitsluitend voor zieke of invalide personen bestemd en konden ook niet de gestoorde lichaamsfunctie overnemen. Zij zijn bedoeld voor bescherming tegen negatieve energie en pijnbestrijding en worden ook door gezonde personen gebruikt. Daarom zijn zij niet als hulpmiddelen aan te merken. Er waren ook geen feiten die duidden op andere uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit.

De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. Er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 1996 omdat pulsors niet als hulpmiddelen worden aangemerkt.

Uitspraak

Nr. 36029
25 april 2001
YS
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 februari 2000, nr. 98/1668, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 50.811, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak door de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 49.136. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende op voorschrift van een arts aangeschafte “pulsors” kunnen worden aangemerkt als hulpmiddelen in de zin van artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het Hof heeft voor dit oordeel redengevend geacht dat, nu ervan moet worden uitgegaan dat de klachten van belanghebbendes echtgenote ten gevolge van de aanschaf van de pulsors zijn verminderd, zodat zij weer redelijk kan lopen, de pulsors belanghebbendes echtgenote in staat hebben gesteld een normale lichaamsfunctie beter te vervullen.
3.2. In cassatie wordt ’s Hofs oordeel terecht bestreden. Voor het aanmerken van middelen als hulpmiddelen in de zin van genoemd artikel van de Wet, is niet voldoende dat er een causaal verband bestaat tussen de aanschaf en het gebruik van het middel en vermindering van klachten of pijn, als gevolg waarvan elementaire lichaamsfuncties beter kunnen worden uitgeoefend. Indien, zoals hier kennelijk het geval is, het middel niet is opgenomen in het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet of dat van de AWBZ, is vereist dat het middel een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen. De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de pulsors bestemd zijn tot bescherming tegen bronnen van negatieve energie, tot het in balans brengen en houden van de lichaamsenergie, het afvoeren van negatieve energie en pijnbestrijding, alsmede dat zij ook door gezonde, niet zieke en/of invalide personen worden gebruikt. De stukken van het geding laten voorts geen andere gevolgtrekking toe dan dat de pulsors naar hun aard niet de gestoorde lichaamsfunctie van belanghebbendes echtgenote kunnen overnemen. Zij zijn derhalve niet aan te merken als hulpmiddelen in vorenbedoelde zin.
Het middel is gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat feiten of omstandigheden door het Hof zijn vastgesteld dan wel voor het Hof zijn aangevoerd, waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de uitgaven voor de aanschaf van de pulsors anderszins kunnen worden aangemerkt als uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit in de zin van artikel 46, lid 3, van de Wet. De uitspraak van de Inspecteur dient derhalve te worden bevestigd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.H. Beukenhorst als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2001.