ECLI:NL:HR:2001:AB1429
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid bestuurder voor naheffingsaanslag omzetbelasting
De Ontvanger stelde eiser aansprakelijk voor de door Bouw- en Aannemersbedrijf A B.V. niet betaalde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1990 tot en met 31 maart 1991. Eiser was feitelijk bestuurder van A B.V. en voerde verweer tegen deze aansprakelijkstelling.
De Rechtbank Leeuwarden wees de vordering van de Ontvanger toe en het Gerechtshof Leeuwarden bekrachtigde dit oordeel in hoger beroep. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat eiser als feitelijk bestuurder van A B.V. kan worden aangemerkt in de zin van art. 36 lid 5 Invorderingswet Pro 1990. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verweer dat de melding van betalingsonmacht tijdig was gedaan, omdat de Ontvanger niet binnen de voorgeschreven termijn had bericht dat de melding niet tijdig was. De Hoge Raad bevestigde dat de melding van betalingsonmacht in de naheffingsfase niet rechtsgeldig kon plaatsvinden omdat de betalingsonmacht al bestond tijdens de aangiftefase.
Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de aansprakelijkheid van eiser als feitelijk bestuurder voor de naheffingsaanslag omzetbelasting.