ECLI:NL:HR:2001:AB1832
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijk voorzien in huisvesting en kostgangersrelatie volgens Algemene Bijstandswet
In deze zaak stond centraal de vraag of sprake was van gezamenlijk voorzien in huisvesting in de zin van artikel 5a, lid 2, van de Algemene Bijstandswet (ABW) en of er sprake was van een kostgangersrelatie. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen het beëindigen van zijn bijstandsuitkering door het college van burgemeester en wethouders van Groningen, omdat volgens hem geen sprake was van gezamenlijk voorzien in huisvesting.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) had geoordeeld dat belanghebbende en A gezamenlijk in hun huisvesting voorzien en dat er geen kostgangersrelatie bestond. De Hoge Raad stelde vast dat de CRvB een te algemene regel hanteerde door enkel de feitelijke vaststelling van het gezamenlijk hoofdverblijf als voldoende te beschouwen. De Hoge Raad verduidelijkte dat bij zuiver commerciële verhuur aan een huurder of kostganger geen sprake is van gezamenlijk voorzien in huisvesting.
Echter, de Hoge Raad bevestigde dat in het onderhavige geval belanghebbende en A sinds 1986 samen naar de woning zijn verhuisd, deze geheel gebruiken en belanghebbende een vast bedrag aan kost en inwoning betaalt, wat niet op een commerciële basis is. Hierdoor is sprake van gezamenlijk voorzien in huisvesting en geen kostgangersrelatie. Klachten over strijdigheid met artikel 8 EVRM Pro werden verworpen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van de Centrale Raad van Beroep bevestigd dat belanghebbende en A gezamenlijk in hun huisvesting voorzien zonder kostgangersrelatie.