ECLI:NL:HR:2001:AB2247
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding redelijke termijn in herplantingsplichtzaak
De zaak betreft een rechtspersoon die in 1978 een perceel grond verkreeg met een herplantingsplicht. Na een eerdere vrijspraak in 1982 volgde een administratiefrechtelijke procedure en strafrechtelijke vervolging wegens het niet voldoen aan deze verplichting. De Officier van Justitie stelde in 1991 een uiterste termijn voor herbeplanting en kondigde vervolging aan bij niet-naleving.
De strafzaak startte formeel in 1997, met een vonnis in 1998 en hoger beroep door zowel verdachte als OM. Het Hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het beginpunt van deze termijn op 1 mei 1992 werd gesteld, aansluitend op de brieven van de Officier van Justitie.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof dit terecht deed, gezien de voortdurende aard van het delict en de eerdere communicatie die de verdachte op de hoogte stelde van de aankomende vervolging. Ook het betoog dat de termijn pas in 1995 begon, wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de niet-ontvankelijkverklaring zwaar gemotiveerd moet worden, wat hier voldoende is gebeurd, en verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.