ECLI:NL:HR:2001:AB2248
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep in ontnemingszaak wegens schending redelijke termijn
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, ingesteld door het Openbaar Ministerie tegen de betrokkene. Het hof had in hoger beroep de vordering afgewezen en het eerdere vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof oordeelde dat het recht van de verdachte op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, was geschonden.
Het Openbaar Ministerie stelde beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad overwoog dat omdat de betrokkene niet was veroordeeld voor een strafbaar feit, de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet kon worden opgelegd. Hierdoor moest de vordering van het Openbaar Ministerie alsnog worden afgewezen.
De Hoge Raad bevestigde hiermee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af. De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren, en het arrest werd uitgesproken op 19 juni 2001.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de ontnemingsvordering wegens schending van het recht op een redelijke termijn.