ECLI:NL:HR:2001:AB2248

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02658/00 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36e SrWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in ontnemingszaak wegens schending redelijke termijn

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, ingesteld door het Openbaar Ministerie tegen de betrokkene. Het hof had in hoger beroep de vordering afgewezen en het eerdere vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof oordeelde dat het recht van de verdachte op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, was geschonden.

Het Openbaar Ministerie stelde beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad overwoog dat omdat de betrokkene niet was veroordeeld voor een strafbaar feit, de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet kon worden opgelegd. Hierdoor moest de vordering van het Openbaar Ministerie alsnog worden afgewezen.

De Hoge Raad bevestigde hiermee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af. De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren, en het arrest werd uitgesproken op 19 juni 2001.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de ontnemingsvordering wegens schending van het recht op een redelijke termijn.

Uitspraak

19 juni 2001
Strafkamer
nr. 02658/00 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, van 30 mei 2000, parketnummer 20/000185-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 21 juli 1998 - de vordering van het Openbaar Ministerie afgewezen.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
Namens de betrokkene heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te ’s-Gravenhage, het cassatieberoep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
“Het openbaar ministerie is bij arrest van dit gerechtshof van 30 mei 2000 - met vernietiging van het beroepen vonnis - niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging in verband met - kort gezegd - schending van het in artikel 6 van Pro het Verdrag van Rome bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn.
Nu verweerster niet is veroordeeld wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36 e van het Wetboek van Strafrecht, kan hem (de Hoge Raad leest: haar) reeds daarom de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, niet worden opgelegd en moet - na vernietiging van de beroepen beslissing - de vordering van het openbaar ministerie alsnog worden afgewezen”.
3.2. Het middel is klaarblijkelijk voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het in ’s Hofs overweging bedoelde arrest van het Hof in de hoofdzaak op het daartegen ingestelde beroep in cassatie zal vernietigen.
Nu de Hoge Raad bij arrest van heden dat cassatieberoep heeft verworpen, is genoemde voorwaarde echter niet vervuld, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.