Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AB2680

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36511
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-hersteld verzuim in belastingzaak

Belanghebbende heeft tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld inzake een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1994. De Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld het verzuim, dat bestond uit het niet voldoen aan het vereiste van artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken te herstellen. Deze termijn eindigde op 16 januari 2001, maar herstel van het verzuim heeft niet plaatsgevonden.

Hoewel belanghebbende in zijn conclusie van repliek alsnog de gronden van het beroep in cassatie vermeldde, oordeelt de Hoge Raad dat dit niet als herstel van het verzuim kan worden beschouwd. Ambtshalve ziet de Hoge Raad geen grond om het arrest van het hof te vernietigen. Gezien artikel 6:6 Awb Pro verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2001.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-hersteld verzuim.

Uitspraak

Nr. 36.511
13 juli 2001
RP
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2000, nr. 97/22168, betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Bij aangetekende brief, gedagtekend 5 december 2000, heeft de Griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzuim dat niet is voldaan aan het in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde vereiste, binnen zes weken na de dagtekening van deze brief te herstellen. De termijn voor het herstel van dit verzuim eindigde op 16 januari 2001.
Herstel van het verzuim heeft niet plaatsgevonden. Wel heeft belanghebbende in zijn naar aanleiding van het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën ingezonden conclusie van repliek alsnog de gronden van het beroep in cassatie vermeld. Het is echter niet mogelijk langs die weg het gepleegde verzuim te herstellen. Nu de Hoge Raad ook ambtshalve geen grond aanwezig oordeelt waarop 's Hofs uitspraak zou behoren te worden vernietigd, zal hij, gezien het bepaalde in artikel 6:6 van Pro voormelde wet, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2001.