ECLI:NL:HR:2001:AB2753
Hoge Raad
- Cassatie
- G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot afdracht neveninkomsten tijdens arbeidsovereenkomst bij Hogeschool
De zaak betreft een geschil tussen eiser en de Hogeschool over de afdracht van neveninkomsten die eiser genoot als voorzitter van het Samenwerkingsverband Zuidelijk Utrechts Waterschap (ZUW) tijdens zijn arbeidsovereenkomst met de Hogeschool. Eiser had zijn functie als voorzitter van het College van Bestuur neergelegd, maar bleef formeel in dienst tot 1 januari 1994. De Hogeschool vorderde afdracht van het salaris dat eiser bij het ZUW ontving, omdat volgens het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) nevenwerkzaamheden tijdens werktijd aan de werkgever moeten worden afgedragen.
De Kantonrechter en Rechtbank wezen de vordering van de Hogeschool toe en veroordeelden eiser tot betaling van ƒ 177.633,76 bruto plus rente. Eiser stelde in cassatie dat na neerlegging van zijn functie geen werktijd meer was, zodat de verplichting tot afdracht niet meer gold. De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst en de werktijdverplichting onverminderd van kracht bleven, ook al werden de werkzaamheden niet meer verricht.
De Hoge Raad bevestigde dat de beëindigingsovereenkomst geen wijziging bracht in de bedongen werktijd en dat de verplichting tot afdracht van neveninkomsten bleef gelden. Ook het besluit van de Hogeschool om geen ontheffing te verlenen werd niet onrechtmatig geacht. Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de verplichting van eiser tot afdracht van neveninkomsten aan de Hogeschool en wijst het cassatieberoep af.